ECLI:NL:GHDHA:2015:1084

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2015
Publicatiedatum
7 mei 2015
Zaaknummer
200.164.241/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • van Nievelt
  • Warnaar
  • van Montfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 lid 1 BWWet Herziening Kinderbeschermingsmaatregelen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing ondertoezichtstelling minderjarige na positieve ontwikkeling

De moeder kwam in hoger beroep tegen een beschikking tot ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind, die was opgelegd vanwege zorgen over de ontwikkeling en opvoeding na een mishandelingsincident. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling hadden de ondertoezichtstelling gehandhaafd vanwege bedreigingen in de ontwikkeling en het ontbreken van hulpverlening.

Tijdens de zitting bleek dat de moeder vrijwillige hulp accepteert en de adviezen opvolgt, en dat er positieve ontwikkelingen zijn in de opvoeding en het contactherstel tussen vader en kind. De raad erkende het gebrek aan zicht op de actuele situatie en liet het aan de gecertificeerde instelling over om te beslissen over voortzetting.

Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling ten tijde van de beschikking noodzakelijk was, maar dat onder de huidige omstandigheden geen gronden meer aanwezig zijn om deze te handhaven. De positieve ontwikkelingen en het ontbreken van concrete hulpvragen maken voortzetting niet gerechtvaardigd. De ondertoezichtstelling werd daarom met ingang van de uitspraak opgeheven.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt opgeheven wegens positieve ontwikkelingen en het ontbreken van voldoende gronden voor voortzetting.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 22 april 2015
Zaaknummer : 200.164.241/01
Rekestnummer rechtbank : JE RK 14-3221
Zaaknummer rechtbank : C/10/461023
[De moeder],
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.M. Oosthoek te Rotterdam,
tegen
de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, zijn aangemerkt:
- de Stichting Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam, thans de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling;
-[de vader],
wonende te[woonplaats],
hierna te noemen: de vader.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 6 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 november 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de moeder:
- op 20 maart 2015 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 30 maart 2015 een faxbericht met bijlage;
van de zijde van de gecertificeerde instelling:
- op 23 maart 2015 een faxbericht met bijlage, op 25 maart 2015 ingekomen als brief.
De raad heeft bij brief van 13 maart 2015, ingekomen bij het hof op 16 maart 2015, het rapport van 3 oktober 2014 aan het hof overgelegd, met daarbij de mededeling dat de raad ter zitting aanwezig zal zijn.
De zaak is op 1 april 2015 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en vergezeld door mevrouw [naam hulpverleenster], ambulante hulpverleenster van de Stichting [naam Stichting] te[plaats] (informant);
  • mevrouw [gemachtigde 1] namens de raad;
  • mevrouw[gemachtigde 2] en mevrouw [gemachtigde 3] namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is de hierna nader te noemen minderjarige [naam minderjarige] voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld, met benoeming van de gecertificeerde instelling tot stichting in de zin van de Wet op de Jeugdzorg. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige[naam minderjarige], geboren [in] 2010 te [geboorteplaats], hierna te noemen de minderjarige, voor de periode van één jaar.
2. De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen.
3. De moeder verzet zich tegen de ondertoezichtstelling van de minderjarige en voert daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. De moeder meent dat zij, met behulp van mevrouw [naam hulpverleenster] (haar begeleidster van [naam Stichting]) en met behulp van mevrouw [hulpverleenster 2] (werkzaam bij het [naam instelling]) in staat is om de minderjarige zelfstandig op te voeden. De moeder heeft altijd vrijwillige hulp gevraagd en gekregen en zij heeft zich nimmer aan de hulpverlening onttrokken. Andere middelen ter afwending van de ernstige bedreiging van de belangen van de minderjarige zijn derhalve voorhanden. Uit de verklaringen van mevrouw [naam hulpverleenster] en mevrouw [hulpverleenster 2] blijkt ook dat de moeder hulp vraagt en accepteert indien dat nodig is.
De aanleiding voor het onderzoek van de raad was de mishandeling van de minderjarige door een kennis van de moeder. De minderjarige ging voor het eerst logeren en de moeder ging er van uit dat de minderjarige bij haar kennis en diens vriendin in goede handen was. De moeder heeft de minderjarige elke dag gebeld en zij kreeg de indruk dat het logeren prima ging, zodat de logeerpartij in samenspraak met de kennis en zijn vriendin telkens met enkele dagen werd verlengd. De moeder was verrast toen zij op de hoogte werd gesteld van de mishandeling. De moeder is – na overleg met de politie - niet met de minderjarige langs de huisarts geweest omdat zij de minderjarige wilde beschermen tegen nog meer (lichamelijk) onderzoek maar de moeder heeft wel contact gehad met mevrouw [hulpverleenster 2]. De moeder wenst niet nog meer begeleiding voor de minderjarige. De moeder is vertrouwd met mevrouw [naam hulpverleenster] en weet haar te vinden als ze een probleem heeft. Naast mevrouw [naam hulpverleenster] bestaat het netwerk van de moeder uit haar huidige partner, de vader van haar dochter [naam dochter] en diens moeder, haar directe buurman en haar zus.
Ter terechtzitting van het hof heeft de moeder gesteld dat de minderjarige zich goed ontwikkelt. Zij gaat naar een gewone school, doet het goed op school, en na een periode van ruim twee jaar is ook de omgangsregeling met de vader weer opgestart. In onderling overleg wordt die omgang langzaam opgebouwd. Bovendien zal de moeder de vrijwillige hulpverlening handhaven. Hiervoor is een indicatie afgegeven tot 2026 en de begeleiding van mevrouw [naam hulpverleenster] is er in ieder geval tot december 2015.
4. In zijn op 3 oktober 2014 uitgebrachte rapport adviseert de raad de minderjarige voor de duur van één jaar onder toezicht te stellen. De raad meent dat er sprake is van een zodanig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is . Er is sprake van een kwetsbaar verlopende ontwikkelingsvoortgang bij de minderjarige. De raad heeft met name zorgen over de ontwikkelingsachterstand en het ontwikkelingsverloop van de minderjarige en de manier waarop hulp voor haar ingezet gaat worden. Momenteel is er geen enkele hulpverleningsinstantie betrokken omdat de hulpverlening voor de minderjarige nog opgestart moet worden. Tevens bestaan er zorgen met betrekking tot de opvoeding door de moeder. Ondanks de signalen die zij kreeg, heeft zij een beslissing genomen die niet in het belang van de minderjarige was en waarbij zij blootgesteld is aan fysieke mishandelingen. Bovendien is de moeder niet met de minderjarige naar een arts gegaan voor lichamelijk onderzoek en lijkt zij beslissingen te nemen die aansluiten bij hetgeen de minderjarige wil, in plaats van wat aansluit bij haar ontwikkeling. Ook heeft de raad zorgen over de individuele problematiek van de moeder. De moeder heeft traumatische ervaringen uit het verleden onvoldoende verwerkt en omdat zij niet open staat voor individuele hulpverlening worden haar problemen in stand gehouden. Het is niet duidelijk wat het effect van de problematiek van de moeder op haar opvoedershandelen is en daarmee op de minderjarige, en of zij in staat is de minderjarige te bieden wat zij nodig heeft. De moeder zegt open te staan voor hulpverlening maar aanvaardt geen hulp voor haar persoonlijke problematiek en wil niets met de gecertificeerde instelling te maken hebben. De raad meent dan ook dat de inzet van hulpverlening in een gedwongen kader moet plaatsvinden en de raad acht een ondertoezichtstelling de meest passende maatregel.
Ter terechtzitting van het hof heeft de raad gesteld geen zicht te hebben op de huidige stand van zaken, reden waarom de raad het aan de gecertificeerde instelling overlaat of de ondertoezichtstelling al dan niet gehandhaafd moet worden. De raad heeft de moeder wel een compliment gemaakt voor de positieve ontwikkeling die zij de afgelopen periode heeft doorgemaakt.
5. De gecertificeerde instelling stelt dat de moeder het qua verzorging en benadering van de minderjarige goed doet. De moeder accepteert alle geboden hulpverlening vanuit [naam Stichting] of van[naam instelling] en komt alle afspraken en adviezen goed na. Hoewel de moeder aanvankelijk contactherstel tussen de vader en de minderjarige niet ondersteunde, blijkt dat het contactherstel inmiddels heeft plaatsgevonden en dat de omgang tussen de vader en de minderjarige zich aan het opbouwen is. Aangezien de positieve ontwikkelingen die de moeder doormaakt nog pril en niet bestendig zijn, meent de gecertificeerde instelling dat de gronden voor een ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat de ondertoezichtstelling derhalve nog moet voortduren, teneinde de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige af te wenden.
Ter terechtzitting van het hof heeft de gecertificeerde instelling medegedeeld te begrijpen dat er op zich geen grond meer is om de ondertoezichtstelling te handhaven. Omdat de moeder aanvankelijk veel weerstand heeft gehad tegen contactherstel tussen de vader en de minderjarige en het eerste contact nog niet zo lang geleden heeft plaatsgevonden, zou de gecertificeerde instelling graag zien dat de ondertoezichtstelling wordt gehandhaafd teneinde het contactherstel tussen de vader en de minderjarige te kunnen blijven volgen.
6. Mevrouw [naam hulpverleenster] heeft ter terechtzitting medegedeeld dat de moeder destijds zelf hulp heeft ingeschakeld toen zij merkte dat het niet goed ging met de minderjarige en dat de moeder de huidige hulp in het vrijwillig kader accepteert en alle afspraken nakomt. Mevrouw [naam hulpverleenster] betreurt de wijze waarop de raad de moeder in de rapportage heeft neergezet.
7. De vader heeft ter terechtzitting medegedeeld dat hij heel blij is met het contactherstel tussen hem en de minderjarige. De vader heeft gesteld er altijd voor de minderjarige te zullen zijn.
8. Het hof overweegt als volgt. Op 1 januari 2015 is de Wet Herziening Kinderbeschermingsmaatregelen in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht geldt dat gedingen inzake de (verlenging van de) ondertoezichtstelling, waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór het tijdstip van in werking treden van de Wet Herziening Kinderbeschermingsmaatregelen, hetgeen in casu het geval is, volgens het oude recht worden afgedaan. Derhalve is de grondslag voor de verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds artikel 1:254 lid Pro 1 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
9. Ingevolge artikel 1:254 lid Pro 1 (oud) BW kan een ondertoezichtstelling slechts worden uitgesproken indien de gronden daarvoor aanwezig zijn. Bij zijn beoordeling dient het hof derhalve te onderzoeken of de minderjarige zodanig opgroeit dat haar zedelijke of geestelijke belangen dan wel zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
10. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat er onder de huidige omstandigheden geen grond meer aanwezig is om de ondertoezichtstelling van de minderjarige te handhaven. Zowel de raad als de gecertificeerde instelling erkennen dat zowel de moeder als de minderjarige een positieve ontwikkeling doormaken. Gebleken is dat de moeder hulp accepteert in het vrijwillig kader en daar goed gebruik van maakt, dat zij de adviezen van de hulpverlening opvolgt en dat zij de met hen gemaakte afspraken nakomt. Naar het oordeel van het hof hebben de raad en de gecertificeerde instelling geen redenen aangevoerd op grond waarvan de ondertoezichtstelling van de minderjarige dient te worden voortgezet. Er is geen concrete hulpvraag, de minderjarige ontwikkelt zich goed en er is sprake van een contactherstel tussen de vader en de minderjarige. Het kunnen blijven volgen van het contactherstel en de ontwikkeling van de minderjarige vormen onvoldoende grond om de ondertoezichtstelling van de minderjarige te handhaven. Gelet op de door de raad genoemde ontwikkelingsbedreigingen is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking wél noodzakelijk was. Het hof zal de ondertoezichtstelling van de minderjarige dan ook gelet op de hiervoor geschetste positieve ontwikkelingen met ingang van heden opheffen.
11. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de termijn van de ondertoezichtstelling en in zoverre opnieuw beschikkende:
heft op de ondertoezichtstelling van de minderjarige [naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] [in] 2010, met ingang van heden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Warnaar en van Montfoort, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2015.