ECLI:NL:GHDHA:2015:1265

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2015
Publicatiedatum
29 mei 2015
Zaaknummer
001802-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 272 SvArt. 512 SvArt. 62b Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens vermeende vooringenomenheid rechtbankvoorzitter

In deze strafzaak diende een wrakingsverzoek tegen de voorzitter en twee raadsheren van het gerechtshof Amsterdam. Verzoeker stelde dat het hof de verdediging onvoldoende gelegenheid gaf te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal over getuigenverzoeken, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro zou zijn en aanleiding gaf tot een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.

De wrakingskamer beoordeelde dat de beslissing om geen tweede termijn te verlenen een beslissing was die uitsluitend aan de voorzitter toekomt, waardoor verzoeker niet-ontvankelijk was ten aanzien van de raadsheren. Daarnaast oordeelde de kamer dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de voorzitter opleverden. Het hof achtte zich voldoende voorgelicht en zag geen onevenwichtigheid in de procedure.

Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard voor de raadsheren. De beslissing werd gegeven door mrs. J.W. van Rijkom, J.M. van de Poll en J. Sanders op 8 januari 2015.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter werd afgewezen en verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard voor de raadsheren.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 001802-14
Parketnummer hoofdzaak : 23-001793-14
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het mondeling verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] (Marokko),
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Haarlem PIA te Haarlem
verzoeker,
raadsman: mr. E.J. van Gils, advocaat te Amsterdam.

Het geding

In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd parketnummer heeft op 16 oktober 2014 bij het gerechtshof Amsterdam een terechtzitting van de meervoudige strafkamer plaatsgevonden, alwaar mr. N.A. Schimmel, voorzitter, mr. P.C. Römer en mr. J.M. Bruins zitting hadden.
Bij mondeling verzoek heeft de raadsman namens verzoeker op voornoemde zitting een verzoek tot wraking van genoemde voorzitter en raadsheren gedaan.
Bij beslissing van 30 oktober 2014 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam in het kader van de ‘pilot externe wrakingskamer’ de wrakingszaak op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van dit gerechtshof.
3. De voorzitter en de raadsheren hebben in een schriftelijke reactie meegedeeld niet in de wraking te berusten. Mr. Römer heeft daarbij aangetekend dat hij reeds niet in de wraking berust omdat uit het proces-verbaal van de zitting van 16 oktober 2014 blijkt dat hij geen deel heeft gehad aan de gebeurtenis die de raadsman heeft gebracht tot het indienen van het wrakingsverzoek.
De voorzitter heeft aangegeven dat hij op het verzoek tot wraking wenst te worden gehoord.
4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 19 december 2014 in raadkamer behandeld, waar de raadsman van verzoeker is gehoord. Tevens is gehoord genoemde voorzitter.
Mr. van Gils heeft een pleitnotitie overgelegd.
De advocaat-generaal, mr. R.J.P Lambrichts, heeft zijn standpunt uiteengezet.

Het wrakingsverzoek

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 oktober 2014 en de pleitnotitie van de raadsman voorgedragen ter terechtzitting van de wrakingskamer, is door de raadsman namens de verzoeker de volgende grond naar voren gebracht - zakelijk weergegeven -:
De beslissing van het hof om de verdediging niet in de gelegenheid te stellen te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van de getuigenverzoeken van de verdediging, leidt ertoe dat de verdediging onvoldoende ruimte heeft gekregen om het verzoek tot het horen van getuigen behoorlijk toe te lichten. Deze beslissing is - vanwege de redenen genoemd in punt 11 van de door de raadsman overgelegde pleitnotitie - dermate onbegrijpelijk en zo zeer in strijd met artikel 6 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat de objectieve vrees bestaat dat het hof vooringenomen is, althans dat een naar objectieve maatstaven gerechtvaardigde schijn van partijdigheid is veroorzaakt.
6. Mr. Schimmel heeft zich op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat de raadsman van de verdachte geen tweede termijn heeft gekregen om zijn verzoeken toe te lichten, niet een omstandigheid oplevert waardoor de vrees zou kunnen ontstaan dat er geen sprake is van onpartijdigheid.
Mr. Römer en mr. Bruins hebben geen inhoudelijk standpunt ten aanzien van het verzoek tot wraking ingenomen.
7. Advocaat-generaal mr. Lambrichts heeft zich - overeenkomstig het op schrift gestelde standpunt van zijn ambtgenoot mr. F.M. van Lenthe, advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 oktober 2014 - op het standpunt gesteld dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen, omdat het feit dat de raadsman niet in de gelegenheid is gesteld door het hof om op hetgeen door de advocaat-generaal ter zitting naar voren werd gebracht te reageren, nog niet maakt dat er om die reden sprake zou zijn van een (objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid bij mrs. Schimmel, Römer en/of Bruins.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 oktober 2014 richt het wrakingsverzoek zich tegen de voorzitter en de beide raadsheren. Naar aanleiding van de door de raadsman in raadkamer voorgedragen pleitnotitie, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het verzoek zo niet uitsluitend dan toch met name betrekking heeft op de voorzitter die ter terechtzitting van 16 oktober 2014 de orde bewaarde, heeft de raadsman desgevraagd door de voorzitter meegedeeld dat het verzoek tevens betrekking heeft op de raadsheren. Daartoe heeft de raadsman aangegeven dat het stilzwijgen van beide raadsheren kennelijk de instemming met de genomen beslissing inhoudt.
9. De wrakingskamer overweegt hieromtrent als volgt. De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de terechtzitting en bepaalt ter terechtzitting de regie. Een beslissing als de onderhavige, inhoudende dat aan de verdediging niet een tweede termijn wordt gegund om te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van getuigenverzoeken van de verdediging, dient naar het oordeel van de wrakingskamer te worden aangemerkt als een beslissing die kennelijk is genomen met het oog op de leiding van het onderzoek op de terechtzitting in de zin van artikel 272 van Pro het Wetboek van Strafvordering en is daarmee een beslissing die (alleen) aan de voorzitter toekomt.
10. Het vorenstaande betekent dat verzoeker niet-ontvankelijk is in het wrakingverzoek ten aanzien van mr. Römer en mr. Bruins.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

11. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden
vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een
zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een
vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees
objectief gerechtvaardigd is.
12. Naar het oordeel van de wrakingskamer valt niet in te zien dat door de beslissing van de voorzitter om aan de raadsman geen tweede termijn te geven mede om te kunnen reageren op het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van getuigenverzoeken, sprake is van een zodanig uitzonderlijke omstandigheid dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de voorzitter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Uit de omstandigheid dat het hof na de toelichting op de getuigenverzoeken door de raadsman en na kennis te hebben genomen van het standpunt van de advocaat-generaal dienaangaande opstond en de zittingszaal verliet, kan worden afgeleid dat het hof zich kennelijk voldoende voorgelicht achtte. Nu aan zowel het Openbaar Ministerie als aan de verdediging één termijn is verleend is ook daarin geen onevenwichtigheid gelegen, die een (vrees voor) vooringenomenheid zou kunnen inhouden.
13. Ook overigens zijn er naar het oordeel van de wrakingskamer geen feiten en omstandigheden gebleken die een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin opleveren.
14. Gelet op het bovenstaande dient op het verzoek tot wraking te worden beslist als hieronder weergegeven.

Beslissing

Het hof:
  • verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. P.C. Römer en mr. J.M. Bruins;
  • wijst het verzoek tot wraking ten aanzien van mr. N.A. Schimmel af;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de verzoeker, de raadsman van verzoeker, genoemde voorzitter en raadsheren en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is op 8 januari 2015 gegeven door mrs. J.W. van Rijkom, J.M. van de Poll en J. Sanders, in aanwezigheid van de griffier mr. S.N. Keuning.