Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 16 juni 2015
VAN OERS UNITED B.V.,
HOLLAND BEAN B.V.,
DEMIJBA B.V.,
WATERSCHAP HOLLANDSE DELTA,
Het geding
Beoordeling
eerste griefklaagt erover dat de rechtbank de feiten niet compleet heeft weergegeven. De grief faalt reeds omdat Van Oers c.s. niet hebben gespecificeerd welke feiten de rechtbank ten onrechte niet aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, maar terzake hebben volstaan met een verwijzing naar een in de memorie van grieven opgenomen betoog van 22 pagina’s, onderverdeeld in 54 punten. Het hof heeft in de rechtsoverwegingen 1.1 en 1.2 de feiten vermeld die het aan zijn beslissing ten grondslag legt.
tweede griefkeert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 6:174 BW Pro (aansprakelijkheid voor de bezitter van een opstal) niet van toepassing is. Van Oers c.s. brengen naar voren dat het gemaal met pomp als opstal dient te worden beschouwd, dat bepalend is dat het gemaal niet functioneerde en niet dat de pomp het niet deed, de pomp van het gemaal door bestemming als onroerend kan worden aangemerkt en dat de pomp naar verkeersopvatting als bestanddeel van het gebouw moet worden beschouwd, alsmede dat ook aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 6:174 BW Pro is voldaan. De
derde griefvalt de overweging van de rechtbank aan, dat de zorgplicht van het Waterschap weliswaar met zich meebrengt dat zijn bedrijfsmiddelen voldoende worden onderhouden, maar niet dat het gemaal storingsvrij dient te functioneren of dat elke storing het Waterschap schadeplichtig maakt. De
zesde griefricht zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de keuze van het Waterschap om geen telemetriesysteem te installeren, gegeven zijn beleidsvrijheid op het punt van het treffen van voorzieningen, niet onrechtmatig is. Van Oers c.s. brengen naar voren dat het installeren van een telemetriesysteem redelijkerwijs van het Waterschap verlangd mocht worden en dat, bij gebreke daarvan, het Waterschap net als de vorige beheerder het gemaal tweemaal per dag had moeten laten controleren en een (automatische) storingsmelder had moeten installeren. Zij stellen dat het Waterschap door een en ander achterwege te laten beneden de maat van een goed beheerder is gebleven. Met hun
vierde en vijfde griefbetwisten Van Oers c.s. het oordeel van de rechtbank dat zij onvoldoende hebben gespecificeerd en onderbouwd dat het gemaal niet voldeed aan de minimaal te stellen eisen en dat het Waterschap onvoldoende onderhoud heeft gepleegd. Zij wijzen erop dat uit de gegevens van het Waterschap blijkt dat het gemaal bij de overname van het beheer niet aan de minimaal te stellen eisen voldeed, dat uit deskundigenrapporten blijkt dat het gemaal gebrekkig en verouderd was en dat de uitval van het gemaal rond 26 juli 2007 het gevolg was van de aanwezigheid van oude en niet tijdig vervangen onderdelen. Zij bieden terzake getuigen- en deskundigenbewijs aan. De
zevende, achtste en negende griefhebben betrekking op de vraag of het Waterschap rond 26 juli 2007 een werkend systeem van klachtmelding voorhanden had en adequaat heeft gereageerd op klachten over het waterpeil in de polder. Van Oers c.s. brengen naar voren dat diverse personen op 25 juli 2007 hebben geprobeerd het Waterschap over de waterstand in de polder te bellen, maar dat het Waterschap die dag niet bereikbaar was omdat het calamiteitennummer van het Waterschap niet functioneerde. Zij voeren voorts aan dat op 25 juli 2007 een boodschap is achtergelaten bij een medewerker van het Waterschap, maar dat daarmee niets is gedaan. Zij klagen voorts over de bewijsopdracht van de rechtbank en over de waardering van de ten overstaan van de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen omtrent het waarschuwen van het Waterschap op 25 juli 2007. De
tiende griefis gericht tegen de afwijzing van de vorderingen van Van Oers c.s.. Zij bouwt op de eerdere grieven voort en mist zelfstandige betekenis.
in 2007gebrekkig was. Hetzelfde geldt voor het rapport van Van Nederpelt, nu zijn deskundigheid op het gebied van de technische staat van het gemaal niet is komen vast te staan. Aangezien Van Oers c.s. hun stelling dat de uitval van het gemaal rond 26 juli 2007 het gevolg was van de aanwezigheid van oude en niet tijdig vervangen onderdelen, uitsluitend baseren op het rapport van Van Nederpelt, acht het hof de onderbouwing van deze stelling, mede in het licht van het hiervoor genoemde logboek en het rapport van Ten Kate, onvoldoende om hen tot nader bewijs toe te laten.