De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf voor diefstal van een portemonnee van een 81-jarige vrouw in Rotterdam. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld.
Tijdens het hoger beroep werd het Salduz-verweer van de verdediging behandeld, waarbij werd gesteld dat de verklaringen van verdachte niet als bewijs mochten worden gebruikt omdat zij niet adequaat was geïnformeerd over haar recht op rechtsbijstand, mede vanwege taalbarrières. Het hof oordeelde dat dit verweer gegrond was en dat de verklaringen niet konden worden gebruikt.
Ondanks dit oordeelde het hof dat voldoende overige bewijsmiddelen aanwezig waren om de diefstal wettig en overtuigend bewezen te verklaren. De verdachte had op geraffineerde wijze de portemonnee weggenomen van een kwetsbare oudere vrouw en had daarmee blijk gegeven van gebrek aan respect en misbruik van kwetsbaarheid.
Het hof veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 weken, waarbij rekening werd gehouden met recidive en het feit dat de portemonnee door oplettendheid van het slachtoffer kon worden teruggegeven, waardoor geen financiële schade ontstond. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het arrest werd gewezen door drie rechters.