Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 10 februari 2015
PARALLEL GROEP ETB VOS B.V.,
[appellant 2], zowel voor zichzelf als in zijn hoedanigheid van (middellijk) statutair bestuurder van eiseres onder 1,
[appellant 3], zowel voor zichzelf als in zijn hoedanigheid van (middellijk) statutair bestuurder van eiseres sub 1,
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Economische zaken),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Streep door kartelboete ETB Vos
eerste griefvan ETB c.s. is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de NMa niet onrechtmatig heeft gehandeld door de naam van ETB te vermelden op de lijst van ruim 150 verdachte bedrijven en deze lijst toe te zenden aan alle verdachte bedrijven. ETB c.s. menen dat de NMa daarmee haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Zij brengen naar voren dat de bekendmaking van de lijst op deze wijze het risico met zich meebrengt dat de lijst ook publiekelijk bekend wordt en dat de gegevens op internet worden vermeld. ETB c.s. stellen dat de Staat geen rekening heeft gehouden met haar gerechtvaardigde belangen om niet op die lijst te worden geplaatst. Zij meent dat haar imago daardoor ernstig is geschaad. Van een belangenafweging is volgens ETB c.s. niet gebleken. Met hun
tweede griefklagen ETB c.s. over de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen van [appellant 2] en [appellant 3]. Zij stellen voorop dat [appellant 2] en [appellant 3] schade lijden door verminderde winstgevendheid van hun aandelen. Zij stellen voorts dat [appellant 2] en [appellant 3] zijn te vereenzelvigen met hun onderneming, dat zij verantwoordelijk zijn voor het relatiebeheer en dat hun geloofwaardigheid door de publicaties van de NMa op te tocht is komen te staan. De
derde griefvan ETB c.s. valt het oordeel van de rechtbank aan dat de kosten die ETB c.s. in de bestuursrechtelijke procedure hebben gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen, gelet op het exclusieve en forfaitaire karakter van de regeling terzake in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij brengen naar voren dat de toezichtbevoegdheden op grond van de Mw zijn aan te merken als opsporingsbevoegdheden, vergelijkbaar met die van politieambtenaren. Zij menen dat wel degelijk sprake was van toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden. Zij beroepen zich in dit kader tevens op Europese jurisprudentie. Zij stellen dat vast staat dat ETB onschuldig is en dat niet valt in te zien waarom zij anders moet worden behandeld dan in het strafrecht. Zij voeren voorts aan dat de NMa in het kader van de bestuursrechtelijke procedure misbruik heeft gemaakt van procesrecht. De
vierde griefkeert zich tegen het oordeel van de rechtbank, dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door na de uitspraak van het CBb in het blad Cobouw een valse voorstelling van zaken te geven. ETB c.s. betogen dat het CBb een zeer duidelijke uitspraak heeft gedaan en dat de Staat daarom de door haar aan een journalist van Cobouw gegeven informatie niet had mogen verstrekken, althans had moeten eisen dat het te publiceren artikel vooraf kon worden ingezien. ETB c.s. voeren aan dat de NMa de uitspraak van het CBb in verdraaide vorm heeft becommentarieerd.
eerste incidentele griefover dat de rechtbank niet op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval een uitzondering heeft willen maken op de hoofdregel dat de onrechtmatigheid van een besluit is gegeven als de (bestuurs)rechter een besluit vernietigt. De Staat betoogt dat een parallel moet worden getrokken tussen het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van artikel 56 Mw Pro en het toepassen van strafvorderlijke dwangmiddelen. Dat zou ertoe leiden dat de Staat uitsluitend aansprakelijk kan worden gehouden als het dwangmiddel is toegepast in strijd met de wet dan wel met inachtneming van fundamentele vereisten of als achteraf uit het strafdossier blijkt dat de verdenking op grond waarvan het dwangmiddel is toegepast, ten onrechte heeft bestaan. Naar de mening van de Staat doet geen van deze situaties zich in de onderhavige zaak voor. De
tweede incidentele griefvan de Staat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat aansprakelijk is voor de door ETB geleden schade. De Staat betoogt dat hij ook rechtmatig had kunnen handelen en dat dan dezelfde schade was opgetreden. Volgens de Staat ontbreekt daarom het causaal verband tussen de schade en de grond voor vernietiging van het besluit.