Uitspraak
Uitspraak van 31 maart 2015
[X] te [Z], belanghebbende,
inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag,de Inspecteur,
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende exploiteert sinds 2001 een hondenschool en voerde in hoger beroep aan dat deze activiteiten een bron van inkomen vormen en als winst uit onderneming moeten worden aangemerkt. De Inspecteur betwist dit en handhaafde de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2011 en 2012. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij voordeel beoogde en dat redelijkerwijs winst te verwachten viel, mede gelet op de voortdurende verliezen sinds 2008.
In hoger beroep bevestigt het Hof dat aan de cumulatieve vereisten voor een bron van inkomen moet worden voldaan: deelname aan het economische verkeer, het beogen van voordeel en de redelijke verwachting daarvan. Gezien de aanhoudende verliezen en het ontbreken van feiten die winstverwachting ondersteunen, is geen sprake van een bron van inkomen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezegging van de controleur is gebleken.
Het Hof wijst er tevens op dat indien in de toekomst wel sprake is van winstgevendheid, de kosten uit de voorafgaande vijf kalenderjaren in aftrek kunnen worden gebracht volgens artikel 3.10 Wet inkomstenbelasting 2001. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat de hondenschool geen bron van inkomen vormt.