Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 20 januari 2015
Landbouwbedrijf de Rooie Hoeve C.V.,
De Staat der Nederlanden,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Op woensdag 30 november omstreeks 16.45 uur, bevonden wij, verbalisanten (…) ons op het adres [adres]. Het is ons bekend dat op dit adres in het verleden het landbouwbedrijf De Rooie Hoeve was gevestigd. Ook was het ons bekend dat [appellant sub 2] op dit terrein dat nu eigendom is van Natuurmonumenten nog enkele loodsen aan het afbreken was. Op voornoemde tijd en plaats spraken wij met de ons bekende en de ons in onze functie kennende [appellant sub 2]. Nadat ik mij had gelegitimeerd heb ik, verbalisant (…), [appellant sub 2] van onze bevindingen in kennis gesteld. Ook heb ik (…) J.J. [appellant sub 2] medegedeeld dat hij voor het onthouden van de nodige verzorging aan 29 runderen een officiële waarschuwing kreeg en dat wij binnenkort een hercontrole op het verzorgen en huisvesten van deze runderen zouden doen. (…) Op onze vragen antwoordde [appellant sub 2], althans met woorden van gelijke strekking, als volgt: ‘Ik weet dat deze runderen op dit moment wat minder in conditie zijn doordat ze nog buiten lopen. Ik weet dat het niet zo moet maar dan moet je in Middelburg zijn die willen het zo. Ik heb ook geen oplossingen. (…) Als jullie vinden dat deze runderen niet goed verzorgd worden moeten jullie eens aan het Veerse Meer gaan kijken, daar is het veel erger, daar staan ze in het water.’ (…) Naar aanleiding van de opmerkingen van [appellant sub 2] over de koeien aan het Veerse Meer bevonden wij (…) ons op vrijdag 2 december 2005 (…) op de door [appellant sub 2] bedoelde locatie. (…) Wij zagen dat dit terrein erg drassig was en dat er op dit hele terrein geen plaats was waar de runderen droog konden liggen. Het weinige gras dat nog op dit terrein aanwezig was is van een slechte kwaliteit en heeft vooral in deze tijd van het jaar weinig voedingswaarde. Op het hele terrein vonden wij geen aanwijzingen dat de runderen werden bijgevoederd. (…) In het westelijke gedeelte van de Middelplaten zagen wij (…) het kadaver van een rund liggen. Naar onze schatting was dit rund al minimaal enkele dagen dood. Gezien de hoeveelheid mest achter dit rund en de sporen van langdurig trappelen van de poten heeft dit rund daar langere tijd liggen creperen.(…) ”
Aan het begin van de dijk, bij [locatie 1], lag buiten het hek een hoeveelheid hooi afkomstig van gemaaide wegbermen, een drinkbak met drinkwater heb ik niet kunnen ontdekken. Dit hooi is voor de dieren alleen bereikbaar via een enorme modderpoel. Het hooi levert voor de dieren alleen wat buikvulling op, maar van enige voedingswaarde is geen sprake. Op de dijk staat wat gras, maar van enige voedingswaarde hierin kan ook geen sprake meer zijn. (…) Naar mijn mening is er sprake van het onthouden aan de dieren van de nodige verzorging.”
“De bodem van het weiland was zeer drassig. Van bijvoeding van de dieren waren geen tekenen aanwezig. De dieren konden zich uitsluitend voeden met het nog aanwezige gras wat van zeer matige kwaliteit was. Vers drinkwater was aanwezig. (…) Naar mijn mening is ernstig sprake van het onthouden aan de dieren van de nodige verzorging.”
“De dieren in de open lucht zijn gehuisvest in een grote betonnen bak, waarvan de bodem ongeveer 1,50 meter onder het maaiveld is gelegen. Het regenwater en de gier kunnen hierin niet wegvloeien en moeten handmatig worden verwijderd. In de betonnen bak liggen wat mesthopen die boven de waterspiegel uitsteken. (…) Deze huisvesting is onvoldoende en bij invallend winterweer is deze situatie onhoudbaar. (…) De conclusie is, dat het aantal dieren te groot is om alle dieren een droge en beschutte ligplaats te kunnen aanbieden. Naar mijn mening is er duidelijk sprake van het onthouden aan de dieren van de nodige verzorging.”
“De huisvesting in de hangar, die aan de voorzijde open is, is onvoldoende. De nok van het dak is open en diverse golfplaten zijn stuk, zodat het regenwater naar binnen gutst. Deze dieren worden een onvoldoende droge ligplaats geboden. Naar mijn mening is er duidelijk spraken van het onthouden aan de dieren van de nodige verzorging.”
“De voedingstoestand was zeer slecht, dit doordat de nodige verzorging werd onthouden.”
“In een open frontstal trof ik hier ongeveer 30 stuks jongvee aan. De dieren waren zeer mager en het aangeboden voedsel, hooi, was van weinig waarde. Gezien de minimale huisvesting (lekkend dak, natte ligplaatsen), voeding en verzorging adviseer ik om deze dieren elders onder te brengen en te verzorgen. Mijns inziens wordt nu de nodige verzorging onthouden”.
“Ik heb alleen de runderen gezien die op het bedrijf stonden. Naar mijn mening was de conditie van de runderen goed. Runderen die moeten afkalveren mogen ook niet te dik bevleesd zijn. (…) De koeien die op het gebied van Natuurmonumenten bij het [locatie 3] stonden heb ik niet gezien. Over die runderen kan ik dan ook niets verklaren. Het zou best kunnen dat er bij de runderen die bij het bedrijf stonden een paar slechte exemplaren zaten. Dat hoeft niet aan de voeding te liggen. (…) [appellant sub 2] heeft voornamelijk runderen van het ras Blonde-D’Acquitaine. Dit ras is tamelijk winterhard en sober. Je hoeft ze in het algemeen niet bij te voederen met krachtvoer zoals bij de melkkoeien. De runderen hebben wel een droge ligplaats nodig. Er hoeft niet persé een dak te zijn. Naar mijn idee kwamen de runderen op het gebied van Natuurmonumenten wel wat beschutting tekort om in de winterperiode daar te kunnen zijn. Als het vriest hebben de runderen wel beschutting nodig. (…) Met betrekking tot de locatie [locatie 2] antwoord ik als volgt. (…) De koeien die op die foto’s te zien zijn hebben gewoon aan goede conditie. Dat zie ik aan de bevleesdheid op de heupen en de buikvulling. Als ik de foto’s zie op bijlage zestien a moet ik zeggen dat het in eerste instantie een niet zo fraaie toestand is. (…) Koeien slapen altijd liggend. Op de situatie op de foto’s van bijlage zestien a is het voor de koeien niet mogelijk om daar te slapen. U houdt mij de verklaring voor van dierenarts [dierenarts] (bijlage negen). Als hij zegt dat de voedingstoestand van de runderen slecht was dan ben ik dat niet met hem eens. Met betrekking tot de locatie [locatie 1] antwoord ik als volgt. (…) Zoals ik al heb verklaard is het ras dat [appellant sub 2] hield een sober ras. Voor de volwassen runderen heeft bermhooi voldoende voedingswaarde. Pinken en Vaarzen hebben bijvoeding nodig. [appellant sub 2] voerde zijn runderen op deze locatie bij met suikerbieten en restgroenten. (…)”.
“Mijn indruk was dat de kudde (met uitzondering van de koeien met kalveren en de zieke koeien) in goede conditie was. Ik wil daarbij zeggen dat ik geen dierenarts ben en dat ik niet alle dieren per stuk heb onderzocht.”
“Met betrekking tot het onder 10, 11 en 12 tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat het Besluit welzijn productiedieren en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren niet uitdrukkelijk voorschrijft dat de dieren een droge ligplaats nodig hebben. De dieren dienen beschermd te zijn tegen slechte weersomstandigheden. Gelet op de tegenstrijdige verklaringen die de getuige-deskundigen [keuringsarts] en [dierenarts] en de dierenarts [dierenarts 2] omtrent de vereiste beschutting en omtrent de voedings- en gezondheidstoestand van de runderen hebben afgelegd en mede gelet op de verklaring van de onafhankelijke getuige [beheerder], acht de rechtbank niet onomstotelijk vastgesteld dat de dieren de nodige verzorging is onthouden.”
Grief Iricht zich, met verwijzing naar in hoger beroep door de Rooie Hoeve c.s toegevoegde feiten, tegen de feitenvaststelling door de rechtbank.
Grief IIkomt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat dat het oordeel van de strafrechter in het kader van het beklag op de voet van artikel 552a Sv langs de weg van een civiele vordering tegen de Staat tot onderwerp van een nieuw geding wordt gemaakt.
Grief IIIis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van de onschuld van de Rooie Hoeve c.s.. De
grieven IV en Vrichten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de beslaglegging op en de verkoop van de runderen niet onrechtmatig is geweest.
Grief VIkomt tot slot op tegen de afwijzing van de vordering als zodanig en de uitgesproken proceskostenveroordeling.
verdachtejegens wie een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv Pro is gerezen. Voor zover de Rooie Hoeve c.s. hun stellingen in hoger beroep mede op dit beginsel baseren, kunnen deze de vordering, gelet op hetgeen hierna met betrekking tot het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld zal worden overwogen, dan ook niet dragen.
taxatietot stand is gekomen, maar door
verkoopvia een gesloten inschrijving waarbij de runderen aan de hoogste bieder zijn verkocht. Dit hoogste bod lag in de buurt van de getaxeerde waarde, zodat moet worden aangenomen dat het hoogste bod de waarde van de inbeslaggenomen veestapel ten tijde van de verkoop vertegenwoordigde. Er is geen onderbouwing aangedragen voor de suggestie dat de koper geen rekening zou hebben gehouden met de drachtige toestand van een deel van groep runderen. Het aanbod te bewijzen dat 155 runderen drachtig waren, dient dan ook geen doel en zal worden gepasseerd.