ECLI:NL:GHDHA:2015:1997

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2015
Publicatiedatum
14 juli 2015
Zaaknummer
200.139.039
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
  • Labohm
  • Stollenwerck
  • Sutorius-Van Hees
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in kort geding over gezamenlijk gezag en buitenlandse reizen met minderjarigen

De vrouw kwam in hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter dat haar verbood zonder toestemming van de man met de minderjarigen naar het buitenland te reizen zolang zij gezamenlijk gezag hadden. Het hof constateerde dat de vrouw haar appeldagvaarding op 4 december 2013 had uitgebracht, maar pas op 21 april 2015 arrest vroeg, ondanks dat de zaak al op 18 februari 2014 voor beraad stond.

Gezien de aard van de vordering en de lange duur van de procedure oordeelde het hof dat er geen spoedeisend belang meer bestond. De vrouw had de kwestie al lang bij de bodemrechter kunnen aanbrengen. Hierdoor verklaarde het hof haar niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

De grieven van de vrouw werden niet inhoudelijk besproken vanwege deze niet-ontvankelijkheid. Ten aanzien van de proceskosten oordeelde het hof dat, gelet op de relatie tussen partijen als ex-echtgenoten, het redelijk en billijk was dat ieder zijn eigen kosten draagt.

Het arrest werd uitgesproken op 23 juni 2015 door de familiekamer van het Gerechtshof Den Haag, waarbij de vrouw in hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard en de proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De vrouw werd niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens het ontbreken van spoedeisend belang en haar trage proceshouding.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel
Zaaknummer : 200.139.039/01
Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/434470 / KG ZA 13-1039

arrest van de familiekamer d.d. 23 juni 2015

inzake
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. B. Mor-Yazir te Utrecht,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man
advocaat: mr. drs. H. Durdu te Rotterdam.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 4 december 2013 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2013 tussen partijen gewezen.
Voor het verloop van de zaak in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft gesteld.
De vrouw heeft in haar exploot de gronden en de grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.
Ter rolzitting van 4 februari 2014 heeft de man bij memorie van antwoord de grieven van de vrouw bestreden.
De vrouw heeft haar procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het geschil

Algemeen

1.Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de voorzieningenrechter zijn vastgelegd.
2. De voorzieningenrechter heeft als volgt beslist: verbiedt de vrouw, zolang partijen gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen zijn belast, zonder toestemming van de man met de minderjarigen naar het buitenland te gaan.
3. Door de vrouw wordt gevorderd: dat het gerechtshof, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis in kort geding zal vernietigen en opnieuw rechtdoende: de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, althans deze af te wijzen en voorts de man te veroordelen in de kosten van het geding van beide partijen.

Spoedeisend belang

Het kort geding is een zelfstandige en bijzondere rechtsgang voor de burgerlijke rechter strekkende tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening in spoedeisende gevallen.
Van spoedeisend belang is sprake indien van de eiser niet gevergd kan worden een bodemprocedure af te wachten.
De vrouw heeft op 4 december 2013 haar appeldagvaarding uitgebracht. De man heeft op 4 februari 2014 zijn memorie van antwoord genomen. Uit de rolarchiefkaart volgt dat de zaak reeds op 18 februari 2014 voor beraad partijen stond. Eerst op 21 april 2015 vraagt de vrouw arrest.
Gezien het hof hiervoor heeft overwogen is er – mede bezien de aard van de vordering – geen spoedeisend belang meer aanwezig. De vrouw had de onderhavige problematiek al lang bij de bodemrechter aanhangig kunnen maken. Het hof is van oordeel dat de vrouw mede bezien haar eigen trage proceshouding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Grieven

Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeven de grieven geen bespreking.

Proceskosten

Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten te compenseren.

Beslissing

Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Stollenwerck en Sutorius-Van Hees en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.