ECLI:NL:GHDHA:2015:2232
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- H.J.M. Burg
- M.M. Olthof
- A.J. Coster
- Rechtspraak.nl
Geen aansprakelijkheid bestuurder voor faillissement Culi-d’Or wegens gebrek aan kennelijk onbehoorlijk bestuur
Culi-d’Or, onderdeel van een concern van circa 35 vennootschappen, werd failliet verklaard na een reorganisatie waarbij de soesjesactiviteiten werden verkocht aan het Belgische Ficaf. De curator stelde dat de bestuurder, appellant, kennelijk onbehoorlijk had gehandeld door verkoopopbrengsten door te lenen aan andere concernvennootschappen zonder zekerheden, terwijl hij wist of had moeten weten dat Culi-d’Or niet levensvatbaar was.
De rechtbank veroordeelde appellant tot betaling van het boedeltekort, maar het hof oordeelde dat appellant redelijkerwijs mocht verwachten dat de reorganisatie het concern levensvatbaar zou houden. Het uitlenen van gelden zonder zekerheid was volgens het hof een gebruikelijke concernpraktijk en niet zonder bijkomende omstandigheden kennelijk onbehoorlijk.
Daarnaast werd het ontbreken van een accountantsverklaring in de jaarrekeningen als schending van artikel 2:394 BW Pro erkend, maar het hof vond dat het vermoeden van onbehoorlijk bestuur daardoor werd weerlegd door externe oorzaken van het faillissement, zoals explosieve grondstofprijsstijgingen, hevige concurrentie en valutaverliezen.
De curator had onvoldoende gemotiveerd dat appellant een ernstig verwijt kon worden gemaakt op grond van artikel 2:9 BW Pro en 6:162 BW. Ook de subsidiaire vorderingen wegens schuldoverneming of subrogatie werden afgewezen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, wees de vorderingen van de curator af en veroordeelde de curator in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van de curator af wegens onvoldoende bewijs van kennelijk onbehoorlijk bestuur door de bestuurder.