Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van de familiekamer d.d. 28 april 2015
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Beslissing
30 juni 2015om
10.00 uur;
Gerechtshof Den Haag
Deze civiele zaak betreft een hoger beroep van [dochter een] tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag inzake de verdeling van de nalatenschap van haar overleden vader, die zonder testament is overleden. [Dochter een] stelt dat haar vader sinds 2006 wilsonbekwaam was door dementie en dat onttrekkingen aan zijn vermogen door andere erfgenamen bij de verdeling betrokken moeten worden. Zij vordert daarnaast dat deze erfgenamen rekening en verantwoording afleggen over het beheer van het vermogen.
De rechtbank wees de vorderingen van [dochter een] af en stelde de verdeling vast volgens een voorstel van een notaris, waarbij aan ieder der partijen een gelijk bedrag werd toegekend. In hoger beroep betwistten de geïntimeerden de wilsonbekwaamheid en stelden dat er sprake was van schenkingen en gebruikelijke betalingen voor de verzorging van de erflater.
Het hof oordeelt dat [dochter een] de wilsonbekwaamheid moet bewijzen en honoreert haar bewijsaanbod voor het horen van getuigen, waaronder haar echtgenoot, die kan verklaren over de gesteldheid van de erflater vanaf 2006. Het hof wijst het bewijsaanbod voor bankafschriften af omdat deze niet bijdragen aan het bewijs van wilsonbekwaamheid en partijen het bedrag en de data van onttrekkingen niet betwisten.
Het hof beveelt een getuigenverhoor en zal de door [dochter een] ingebrachte medische stukken betrekken bij de beoordeling. Verder beveelt het hof dat de onttrekkingen als zodanig bij de verdeling van de nalatenschap worden betrokken en dat de erfgenamen hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten. Het arrest is gewezen door de raadsheren Kamminga, van Kempen en Stollenwerck.
Uitkomst: Het hof beveelt bewijslevering over wilsonbekwaamheid en bepaalt dat onttrekkingen bij de nalatenschapsverdeling worden betrokken.