Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 17 februari 2015
1 Vakbondsunie van het Europees Octrooibureau (VEOB, Afdeling Den Haag),
2 SUEPO (Staff Union of the European Patent Office),
Internal Appeals Committee(hierna: IAC), welke commissie advies uitbrengt aan de president. De president beslist vervolgens naar aanleiding van dit advies of alsnog aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen. Tegen de beslissing van de president staat beroep open bij de
International Labour Organisation Administrative Tribunalte Geneve (hierna: ILOAT), op grond van art. 13 van Pro het EOV dat als volgt luidt:
Mothers of Srebrenica/Netherlandshad betrekking op de Verenigde Naties (VN). Het in die zaak uitgesproken oordeel dat aan de VN absolute immuniteit toekomt is niet van toepassing op EOO. De aan EOO toegekende immuniteit van jurisdictie dient een legitiem doel. VEOB c.s. hebben geen toegang tot de rechtsgang bij het ILOAT. De beperking op toegang tot de rechter die het gevolg is van de verleende immuniteit is niet proportioneel. Dit betekent dat het beroep op immuniteit van EOO wordt verworpen. VEOB c.s. kunnen in dit geding ook zelfstandig optreden en zijn ontvankelijk in hun vorderingen. VEOB c.s. hebben hun spoedeisend belang bij de vorderingen die betrekking hebben op het stakingsrecht voldoende aannemelijk gemaakt. Het spoedeisend belang bij de vorderingen te worden erkend en toegelaten als onderhandelingspartner hebben VEOB c.s. echter onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat de vorderingen die betrekking hebben op het stakingsrecht inhoudelijk moeten worden beoordeeld. Art. 8 EOV Pro waarborgt het functioneren van EOO als geheel. VEOB c.s. beogen met hun vorderingen deze bepaling te doorbreken. Toewijzing van de vorderingen zou immers een versplintering van EOO tot gevolg hebben, in die zin dat in Nederland andere regelgeving moet worden toegepast dan in andere deelnemende lidstaten. Daarmee wordt het wezen van de immuniteit aangetast. Gesteld noch gebleken is dat VEOB c.s. zich met hun vorderingen niet tot de centrale organisatie kunnen richten. Dit leidt er toe dat de vorderingen zullen worden afgewezen.
Mothers of Srebrenica/Netherlandsgeen wijziging inhoudt ten opzichte van eerdere rechtspraak van het EHRM en omdat de positie van de VN niet vergelijkbaar is met die van EOO. Volgens EOO is dit oordeel onjuist, omdat de uitspraak van 11 juni 2013 volstrekt algemeen is en de uitspraken van het EHRM in de zaken
Waite & Kennedy/Germanyen
Beer & Regan/Germanyniet betekenen dat de beschikbaarheid van een alternatieve rechtsgang een voorwaarde is voor het respecteren van immuniteit van jurisdictie.
Waite & Kennedy/Germany(nr. 26083/94) en
Beer & Regan/Germany(nr. 28934/95) heeft het EHRM overwogen:
Mothers of Srebrenica/Netherlands(nr. 65542/12), waarin het EHRM het in die zaak aan de orde zijnde geval (“
a dispute between the applicants and the United Nations based on the use by the Security Council of its powers under Chapter VII of the United Nations Charter”) juist onderscheidde van de zaken
Waite & Kennedyen
Beer & Regan(zie die uitspraak onder nr. 152) en waarin het met name belang toekende aan “
the mission of the United Nations to secure international peace and security”. Dit bracht mee dat “
the Convention cannot be interpreted in a manner which would subject the acts and omissions of the Security Council to domestic jurisdiction without the accord of the United Nations” (zie die uitspraak onder nr. 154). Deze uitspraak van het EHRM kan dan ook niet worden gezien als een afwijking van de in
Waite & Kennedyen
Beer & Reganneergelegde regel. EOO, die tot taak heeft het verlenen van Europese octrooien, kan ook op geen enkele manier worden beschouwd als een organisatie die vergelijkbaar is met de VN, handelend door middel van de Veiligheidsraad uit hoofde van zijn bevoegdheden onder hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties. Ten slotte blijkt uit het arrest van het EHRM van 6 januari 2015 inzake
Klausecker/Germany (No. 415/07)dat de in
Waite & Kennedyen
Beer & Reganuitgezette lijn geenszins achterhaald is.
Mothers of Srebrenica/Netherlandseveneens heeft overwogen:
onmiskenbaartekortschiet, kan worden geoordeeld dat de immuniteit van jurisdictie disproportioneel is. Van dit laatste zou geen sprake zijn omdat het EOO niet valt aan te rekenen dat ILOAT geen rechtsgang biedt voor VEOB c.s. en het ILOAT geen orgaan van EOO is. ILOAT zou ook in een recente uitspraak hebben beslist dat het op voorhand kunnen aanvallen van algemene regels de rechtsbescherming in het individuele geval in gevaar brengt. De rechtbank heeft dan ook te hoge eisen gesteld aan de rechtsbescherming binnen EOO, aldus EOO. Voorts is EOO van mening dat immuniteit mede de autonomie van een internationale organisatie beschermt om ongehinderd door de rechter van een lidstaat te kunnen functioneren.
Beer and Regan/Germany (28934/95)en
Waite and Kennedy/Germany (26083/94)van 18 februari 1999 beslist dat het verlenen van immuniteit aan een internationale organisatie als EOO een legitiem doel dient. Bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste is voor het EHRM een “
material factor” of aan partijen als VEOB c.s. “
reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention” ten dienste staan. Het hof leidt uit de uitspraken van het EHRM in de twee genoemde zaken, alsmede uit zijn uitspraken in de zaken
A.L./ Italie (41387/98)van 11 mei 2000 en
Bosphorus v. Ireland (45036/98)van 30 juni 2005 af, dat het daarbij niet gaat om de vraag of de alternatieve rechtsgang dezelfde bescherming biedt als art. 6 EVRM Pro, maar of deze een bescherming verschaft die daarmee vergelijkbaar (“
comparable”) is. Doorslaggevend is of de beperking in de toegang tot de nationale rechter “the essence of their “
right to a court” (“
la substance même du droit”) aantast, of dat de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten “
manifestly deficient” is. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de stellingen van VEOB c.s. getoetst moeten worden aan de vraag of de aan EOO verleende immuniteit van jurisdictie het wezen van hun recht op toegang tot de rechter heeft aangetast.
manifestly deficientis. Niet in geschil is immers dat VEOB c.s. voor hun onderhavige vorderingen geen rechtsingang hebben bij ILOAT noch in enige andere door EOO opengestelde rechtsgang. De rechten waarin VEOB c.s. beschermd willen worden, het recht op vereniging en vergadering, waaruit afgeleid zijn het recht op collectieve actie en het recht op collectief onderhandelen, worden onder meer door het EVRM (art. 11), het Europees Sociaal Handvest (art. 6) en de ILO Conventies 87 en 98 gewaarborgd. Zie voor het EVRM meer in het bijzonder EHRM 12 november 2008, nr. 34503/97 inzake
Demir and Baykara/Turkije(vrijheid van collectief onderhandelen). Ook heeft het EHRM een stakingsverbod als een beperking van de verdragsrechtelijke vakverenigingsvrijheid gekwalificeerd (
Unison/VK, arrest van 10 januari 2002, nr. 53574/99). Zie verder de beslissingen van de Committee on Freedom of Association van de ILO, Freedom of association, 5th edition nrs. 523, 882, 885 en 886. Het ontbreken van enig rechtsmiddel betekent tevens dat, indien de Nederlandse rechter in dit geval voor VEOB c.s. geen rechtsingang zou bieden, het door art. 13 EVRM Pro gewaarborgde recht van VEOB c.s. op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie geschonden wordt.
collectieveactie en op
collectiefonderhandelen. Het zou in strijd zijn met het collectieve karakter van deze rechten indien uitsluitend individuele werknemers, achteraf, tegen de aantasting van deze rechten zouden kunnen opkomen. Een dergelijke rechtsgang kan niet worden beschouwd als een effectief rechtsmiddel ter handhaving van de hier in het geding zijnde collectieve rechten. Voor wat betreft het recht op collectieve onderhandelingen kan nog veel minder worden ingezien hoe dit in de rechtsgang van een individuele werknemer bij ILOAT aan de orde zou kunnen worden gesteld, of van welke andere rechtsgang VEOB c.s. gebruik zouden kunnen maken.
prima facieongegrond zijn. Dit betekent dat het beroep van EOO op de haar verleende immuniteit van jurisdictie disproportioneel is. De Nederlandse rechter is dan ook in dit geval bevoegd van de vorderingen van VEOB c.s. kennis te nemen, hetgeen ook kan betekenen dat die rechter beslissingen neemt die gevolgen hebben voor de organisatie van EOO.
Baykara/Turkije). Het hof zal dan ook EOO gebieden VEOB c.s. toe te laten tot collectieve onderhandelingen. Niet toewijsbaar is dat EOO VEOB c.s. dient te erkennen als sociale partners. Daarbij hebben VEOB c.s. naast de veroordeling tot toelating tot collectieve onderhandelingen, onvoldoende belang. Nu het hier een kort geding betreft acht het hof het ook niet passend EOO te dwingen tot een erkenning waartegen zij bezwaar maakt. Aangezien het hof het gevorderde onder IV als vermeld zal toewijzen, hebben VEOB c.s. onvoldoende belang bij hun vordering onder V om EOO te verbieden de onderhandelingen zonder VEOB c.s. te voeren of voort te zetten.
in het principaal hoger beroep:
in het principaal en het incidenteel beroep:
in eerste aanlegbegroot op € 665,71 voor verschotten en op € 1.405,-- voor salaris van de advocaat, en
in hoger beroepop € 781,52 voor verschotten en op € 4.023,-- voor salaris van de advocaat, en bepaalt dat over deze bedragen bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na deze uitspraak vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente verschuldigd zal zijn;