ECLI:NL:GHDHA:2015:2724

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2015
Publicatiedatum
5 oktober 2015
Zaaknummer
200.165.248/01 en 200.165.308/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Husson
  • M.J. Obbink-Reijngoud
  • J. Mulder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging omgangsregeling minderjarigen en intrekking hoger beroep kinderalimentatie

In deze zaak stond de omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarige kinderen centraal, evenals de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderalimentatie). De moeder en vader waren het oneens over de omgangsregeling, waarbij de moeder stelde dat de huidige regeling te onrustig was voor de kinderen en niet in hun belang, mede vanwege de schoolverplaatsing naar Hillegom en het dagritme van de kinderen.

De rechtbank had eerder een omgangsregeling vastgesteld waarbij de kinderen in even en oneven jaren verschillende vakanties en weekdagen bij de vader zouden verblijven. De moeder verzocht het hof deze regeling te wijzigen, terwijl de vader de bestaande regeling wilde handhaven. Het hof oordeelde dat de huidige regeling inderdaad te onrustig was en wijzigde de regeling zodanig dat de kinderen in de even weken van donderdag na school tot maandagochtend en in de oneven weken van donderdag na school tot vrijdagavond bij de vader verblijven, met behoud van het aantal contactmomenten.

Ten aanzien van de kinderalimentatie trokken beide partijen hun hoger beroep in, waardoor het hof het hoger beroep op dit punt verwierp. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De omgangsregeling is gewijzigd en het hoger beroep op kinderalimentatie is verworpen wegens intrekking.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 30 september 2015
Zaaknummers : 200.165.248/01 en 200.165.308/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-1332
Zaaknummer rechtbank : C/09/460740
In de zaak met zaaknummer 200.165.248/01:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H.H.R. Bruggeman te Lisse,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. L.C. Blok te Zoetermeer.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,
hierna te noemen: de raad.
In de zaak met zaaknummer 200.165.308/01:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. L.C. Blok te Zoetermeer,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H.H.R. Bruggeman te Lisse.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
In de zaak met zaaknummer 200.165.248/01:
De moeder is op 23 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 november 2014 van de rechtbank Den Haag.
De vader heeft op 9 april 2015 een verweerschrift ingediend.
In de zaak met zaaknummer 200.165.308/01:
De vader is op 24 februari 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 november 2014 van de rechtbank Den Haag.
De moeder heeft op 29 mei 2015 een verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 8 april 2015 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 15 juli 2015 een brief met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
- op 5 augustus 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
van de zijde van de moeder:
- op 5 augustus 2015 een brief van 4 augustus 2015 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.
De zaken zijn beide gezamenlijk op 26 augustus 2015 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is bepaald dat de minderjarigen [minderjarige 1] (hierna ook: [minderjarige 1] ) en [minderjarige 2] (hierna ook: [minderjarige 2] ), beiden geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , bij de vader zullen zijn:
  • de ene week op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag;
  • de andere week op woensdag, donderdag en vrijdag;
  • gedurende de vakanties en feestdagen als volgt:
o in de even jaren:
 de hele voorjaarsvakantie;
 een week van de meivakantie;
 drie weken in de zomervakantie;
 de eerste week van de kerstvakantie;
 op de verjaardag van de vader;
 op Vaderdag;
o in de oneven jaren:
 de hele herfstvakantie;
 een week van de meivakantie;
 drie weken in de zomervakantie;
 de tweede week van de kerstvakantie;
 op de verjaardag van de vader;
 op Vaderdag,
waarbij de vader de minderjarigen zal halen en brengen. Voorts is de door de vader met ingang van 24 november 2014 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 20,- per maand per kind bepaald, vanaf 24 november 2014 telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil zijn de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen en de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie).

Omgangsregeling

2. De moeder verzoekt het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover is bepaald dat de minderjarigen de ene week op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vader zullen zijn en de andere week op woensdag, donderdag en vrijdag en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de minderjarigen vanaf 3 oktober 2015 in de even weken van vrijdag na school tot maandagochtend naar school en in de oneven weken van donderdag 17.00 uur tot zaterdag 17.00 uur plus de helft van de vakanties en de studiedagen bij de vader zullen zijn. Kosten rechtens.
3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof om de in de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling te bevestigen. Kosten rechtens.
4. De moeder is van mening dat de vader niet voor 50% voor de minderjarigen kan zorgen in verband met zijn werk en het dagritme van de minderjarigen. Ook gaan de minderjarigen in oktober 2015 naar een school in Hillegom. Indien de minderjarigen op een doordeweekse dag bij de vader verblijven, moet de vader hen vanuit Leiden naar Hillegom naar school brengen en weer ophalen. Hierdoor moeten de minderjarigen op donderdag en vrijdag extra vroeg op. Ook vreest de moeder dat de minderjarigen te laat zullen komen op school of op de vader moeten wachten. Verder heeft de moeder gemerkt dat de vader in ieder geval op woensdag en donderdag niet zelf voor de minderjarigen zorgt en zij niet weet waar de minderjarigen verblijven. Door het heen en weer gesleep van de minderjarigen bij de vader tussen diverse oppasadressen en de huidige regeling is een hele onrustige situatie voor de minderjarigen ontstaan. [minderjarige 2] klaagt hier ook over en zegt dat hij erg moe is. [minderjarige 1] geeft met afwijkend gedrag aan dat de zorgregeling een zware wissel op haar trekt. Voorts wijst de moeder erop dat zij meerdere keren stand-by heeft moeten staan, omdat de vader en zijn partner haar in de ochtend al meldden dat zij de minderjarigen in de middag niet konden ophalen. Ook wil de vader op “zijn dagen” geen afspraken maken met bijvoorbeeld het ziekenhuis, het consultatiebureau of voor activiteiten van de minderjarigen. Hierdoor kan de moeder geen activiteiten plannen voor de minderjarigen of is het een enorme puzzel om afspraken met instanties te maken. De moeder acht de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling derhalve niet in het belang van de minderjarigen. Zeker niet omdat zij thuis is en wel voor de minderjarigen kan zorgen. De door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling heeft de moeder onder druk van de rechtbank geaccepteerd.
5. De vader is van mening dat er geen enkele reden is om de door de rechtbank vastgestelde regeling te wijzigen. Hij betwist dat sprake is van een onrustige situatie voor de minderjarigen. De vader is geen enkel moment geconfronteerd met gedrag van de minderjarigen, waaruit zou blijken dat zij moe zijn of afwijkend gedrag zouden vertonen. Verder merkt de vader op dat hij vanaf 1 juli 2015 een nieuwe baan heeft, die om de omgangsregeling is gebouwd. Hij werkt vaak ’s-avonds of in het weekend. De vader heeft sinds mei 2015 geen relatie meer en hij vangt de minderjarigen zelf op.
6. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de huidige omgangsregeling te onrustig is voor de minderjarigen. Zij gaan vanaf 3 oktober 2015 naar school, hetgeen met name in de beginperiode vermoeiend voor hen zal zijn. Daarnaast moet de moeder voldoende gelegenheid hebben om afspraken voor de minderjarigen te kunnen plannen. Het hof zal daarom de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling wijzigen in die zin dat de minderjarigen in de even weken van donderdag uit school tot maandag naar school en in de oneven weken van donderdag uit school tot vrijdag 19.00 uur bij de vader verblijven. Op deze manier worden de minderjarigen in de gelegenheid gesteld om op woensdag – zonder dat zij telkens van Leiden naar Hillegom moeten reizen – activiteiten in Hillegom te ondernemen, hetgeen rust voor de minderjarigen creëert. Bovendien blijft bij de vaststelling van voornoemde regeling het aantal contactmomenten tussen de vader en de minderjarigen gehandhaafd. Ook blijft de vader op deze manier een keer in de twee weken een weekend beschikbaar voor zijn werkgever om werkzaamheden te verrichten en kan de moeder zich op het vinden van een baan oriënteren. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking voor zover het de omgangsregeling betreft vernietigen.

Kinderalimentatie

7. De vader heeft ter zitting zijn hoger beroep met betrekking tot de kinderalimentatie ingetrokken. Daarop heeft ook de moeder haar voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ten aanzien van de kinderalimentatie ter zitting ingetrokken. Deze intrekkingen hebben tot gevolg dat, nu de door de vader en de moeder aangevoerde grieven niet meer kunnen worden onderzocht, hun (voorwaardelijke incidenteel) hoger beroep gericht tegen de kinderalimentatie wordt verworpen.
Proceskosten
8. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
9. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de omgangsregeling betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt tussen de vader en de moeder een regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht, inhoudende dat de minderjarigen vanaf 3 oktober 2015 bij de vader zullen zijn:
  • in de
  • in de
  • gedurende de vakanties en feestdagen als volgt:
o in de even jaren:
 de hele voorjaarsvakantie;
 een week van de meivakantie;
 drie weken in de zomervakantie;
 de eerste week van de kerstvakantie;
 op de verjaardag van de vader;
 op Vaderdag;
o in de oneven jaren:
 de hele herfstvakantie;
 een week van de meivakantie;
 drie weken in de zomervakantie;
 de tweede week van de kerstvakantie;
 op de verjaardag van de vader;
 op Vaderdag,
waarbij de vader de minderjarigen zal halen en brengen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verwerpt het principaal hoger beroep van de vader ten aanzien van de kinderalimentatie;
verwerpt het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de moeder ten aanzien van de kinderalimentatie;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Obbink-Reijngoud en Mulder, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2015.