Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 30 juni 2015
GEMEENTE ROTTERDAM,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
primair:een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen de Gemeente en [geïntimeerde 2] per 26 maart 2013 buitengerechtelijk is ontbonden, althans de gerechtelijke ontbinding van deze huurovereenkomst per datum arrest;
grieven 1 en 3(en
deels grief 4) betoogt de Gemeente dat de kantonrechter heeft miskend dat de Gemeente niet alleen heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, maar tevens (subsidiair) dat de kantonrechter de huurovereenkomst (alsnog) zal ontbinden. Met
grief 2verduidelijkt de Gemeente haar standpunt ten aanzien van de vraag wie als huurder van de onderhavige standplaats moet worden beschouwd. Volgens de Gemeente is alléén [geïntimeerde 2] huurder, en wel op grond van 7:266 BW in samenhang met 7:268 BW, aangezien zij de echtgenote was van wijlen [naam], op wiens naam de huurovereenkomst staat. De Gemeente stelt dat [geïntimeerde 1] niet de positie van (mede)huurder heeft, zodat hij de standplaats zonder recht of titel in gebruik heeft en aldus onrechtmatig jegens de Gemeente handelt. Het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] is volgens de Gemeente voorts daarin gelegen, dat [geïntimeerde 1] het perceel zodanig heeft gebruikt dat dit heeft geleid tot de burgemeesterssluiting van 17 januari 2013, terwijl [geïntimeerde 1] bovendien op het perceel in motorvoertuigen handelt, hetgeen in strijd is met de huurovereenkomst en het bestemmingsplan. Met
grief 4betoogt de Gemeente dat de kantonrechter ten onrechte niet is meegegaan in het standpunt van de Gemeente dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden op grond van 7:231 lid 2 BW. In de toelichting op grief 4 voert de Gemeente voorts aan dat [geïntimeerde 2] zich niet als goed huurder heeft gedragen (7:213 BW en artikel 6.1. van de huurovereenkomst) door het gehuurde in strijd met artikel 7 van Pro de huurovereenkomst in gebruik te geven aan [geïntimeerde 1]. Bovendien is [geïntimeerde 2] op grond van artikel 7:219 BW Pro aansprakelijk voor de gedragingen van haar zoon [geïntimeerde 1] die tot de burgemeesterssluiting hebben geleid. Ook hierom is ontbinding gerechtvaardigd, aldus de Gemeente.
Grief 5is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat niet is gebleken van
“enige vorm van overlast welke vaak met zogenaamde drugspanden wordt geassocieerd”en dat niet is gebleken dat
“[geïntimeerde 2] bij de feiten waarvoor [geïntimeerde 1] is gestraft betrokken is geweest”. Volgens de Gemeente gaat de kantonrechter aldus uit van een verkeerde maatstaf, omdat artikel 7:231 BW Pro dergelijke eisen niet stelt.
Grief 6bouwt op de voorgaande grieven voort.
Grieven 7 en 8hebben geen zelfstandige betekenis.
Beslissing
- verklaart voor recht dat de litigieuze huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden per 26 maart 2013;
- veroordeelt [geïntimeerden] om het gehuurde met al degenen die en al datgeen dat zich daarin of daarop bevinden/bevindt binnen vier (4) weken na de betekening van dit arrest volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van de Gemeente te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van € 50.000,-, dat hieraan niet wordt voldaan en met machtiging aan de Gemeente om bij gebreke van volledige voldoening hieraan, deze verlating en ontruiming en dit verlaten en ontruimd houden zelf te bewerkstelligen, op kosten van [geïntimeerde 2] c.s.;
- veroordeelt [geïntimeerde 1] tot betaling van een bedrag van € 186,43, vermeerderd met de indexeringsverhoging krachtens de contractuele indexeringsregeling, als huurprijs dan wel schadevergoeding over de periode vanaf 15 augustus 2001 tot aan 26 maart 2013 (datum buitengerechtelijke ontbinding), voor zover dit niet reeds door hem of [geïntimeerde 2] voldaan;
- veroordeelt [geïntimeerde 2] tot betaling van een bedrag van € 186,43, vermeerderd met de indexeringsverhoging krachtens de contractuele indexeringsregeling, schadevergoeding over de periode vanaf 26 maart 2013 tot aan de datum waarop het perceel door of vanwege [geïntimeerden] volledig verlaten en ontruimd zal zijn, voor zover dit niet reeds door haar of [geïntimeerde 1] is voldaan, ;
- veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van de Gemeente, in eerste aanleg tot aan 29 november 2013 begroot op € 171,76 aan verschotten en € 500,- aan salaris gemachtigde en in appel tot op heden begroot op € 797,80 aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat, met dien verstande dat voor zover de één zal hebben betaald, de ander bevrijd zal zijn;
- verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.