In deze zaak staat de wijziging van partneralimentatie centraal, waarbij de vrouw een hogere alimentatie vordert en de man betwist dat hij meer kan betalen. De rechtbank had eerder beide verzoeken afgewezen. Het hof vernietigt deze beschikking en stelt de alimentatie opnieuw vast.
De vrouw stelt dat haar behoefte gelijk is gebleven door medische problemen en stress, waardoor zij niet kan werken. De man betwist dit en wijst op het afnemende verband met de huwelijkse situatie en het ontbreken van inspanningen van de vrouw om te werken. Het hof overweegt dat de lotsverbondenheid afneemt naarmate de scheiding langer geleden is en dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij zelf in haar levensonderhoud voorziet.
Het hof constateert dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij pogingen heeft gedaan om te re-integreren en haar uitgavenpatroon aan te passen. Daarom stelt het hof een lineaire afbouw van de behoefte vast van het in 2006 vastgestelde bedrag naar het minimumloon in 2017. De draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van zijn inkomen en leidt tot een afbouw van de alimentatie tot nihil in 2017.
Verder oordeelt het hof dat de vrouw het teveel betaalde bedrag niet hoeft terug te betalen vanwege haar financiële situatie. De proceskosten worden gecompenseerd. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en wijst het verzoek van de vrouw tot verhoging af, terwijl het verzoek van de man tot verlaging wordt toegewezen.