Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 13 oktober 2015
[appellant] ,
REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
Het verdere verloop van het geding
Verdere beoordeling van het hoger beroep
De brand is begonnen in de keuken, waar zich veel brandbaar materiaal bevindt. De keukendeur moet tijdens de brand (deels) open hebben gestaan. Er heeft geen langdurige smeulbrand plaatsgevonden, waar veel rook/roetontwikkeling bij vrijkomt. De brand heeft waarschijnlijk kort (minder dan een half uur) geduurd. De brandschade in de keukenruimte is beperkt gebleven, veel ter plaatse aanwezig brandbaar materiaal was relatief onbeschadigd. Er zijn geen aanwijzingen dat sprake is geweest van een explosie met een drukgolf met structurele schade. Mocht er wel een (kleine) drukgolf zijn opgetreden, dan is het niet waarschijnlijk dat deze in de ruimte van het halletje bij PIR Z1 is gekomen. Wel is duidelijk dat er tijdens de brand in de winkelruimte een (lichte) overdruk is geweest. Op de tussendeur van het halletje naar de winkelruimte is aan de halzijde een duidelijke beroeting op de deur te zien die het gevolg is van rook en verbrandingsgassen die tussen de deur en de deurpost door zijn geperst.
Voorts schrijft ir. Lelieveld in antwoord op opmerkingen van partijen (bijlage 1 bij zijn rapport) nog het volgende. Als de motorbenzine geruime tijd voor de ontsteking in de keukenruimte is uitgegoten, dan heeft dit niet noodzakelijkerwijs hoeven leiden tot het ontstaan van een explosief benzinedampmengsel. Dit is afhankelijk van de tijd die de motorbenzine heeft gehad om te verdampen, de ventilatie in de ruimte en de hoeveelheid motorbenzine die is uitgegoten. Als de motorbenzine op een klein oppervlak (bijvoorbeeld een paar truien) is aangebracht en sprake is geweest van ventilatie in de ruimte kon de concentratie van het benzinedampmengsel in een groot deel van de ruimte onder de onderste ontstekingsgrens blijven, waardoor er bij een ontsteking in de buurt van de motorbenzine geen ‘echte’ explosie met structurele schade zou optreden maar meer een steekvlam. Er is geen sprake geweest van een ‘plasbrand’, waarbij motorbenzine over de vloer is uitgegoten. Het tijdstip van uitgieten van de motorbenzine is in dit geval niet aan te geven. De brand zal waarschijnlijk niet eerder dan rond 18.22 uur zijn ontstaan.
Een PIR detector, die werkt middels infrarood technologie, detecteert bewegende warmte. Dit wordt gezien als een persoon die door de detectievelden loopt. De detector bestaat uit een infrarood opname element, welke middels spiegeltechnologie de temperatuur van de achtergrond (vloer/wanden/meubilair etc.) meet en wijzigingen hierin signaleert. De temperatuurmeting vindt plaats in twee meetvelden die vlak naast elkaar liggen. Een persoon die zich, in het bijzonder van links naar rechts (of vice versa), door deze beide meetvelden beweegt verstoort in beide meetvelden op gelijke wijze de achtergrondtemperatuur, waarna – wanneer hij zich verplaatst – de achtergrondtemperatuur weer terugkomt naar de oorspronkelijke waarde. In een dergelijk geval geeft de PIR sensor een alarm. Uitgaande van het gegeven dat er geen of hooguit een minimale drukgolf heeft plaatsgevonden, kan dit geen veroorzaker zijn geweest voor de opgetreden alarmen in PIR Z1 (halletje) en PIR Z4 (winkelruimte). Een brand of verhitting van de wanden kan de veroorzaker zijn van een alarm indien de temperatuurveranderingen plaatsvinden zoals beschreven, dat wil zeggen van links naar rechts (of vice versa) en met het weer terugkomen van de achtergrondtemperatuur naar de oorspronkelijke waarde. Beide zijn een vereiste, beweging en een specifiek opgewarmd vlak welke niet door de beide meetvelden tegelijk wordt opgemerkt.
De exacte inlooptijd van PIR Z1 (halletje) kan niet meer worden vastgesteld. De fabrieksmatig ingestelde inlooptijd bedraagt standaard 30 seconden. Dit kan door de installateur worden gewijzigd, wat in de praktijk echter maar zelden plaatsvindt. Indien de alarmen van PIR Z1 en PIR Z4 zijn veroorzaakt door een persoon zou, rekening houdend met de inlooptijd van PIR Z1, de volgorde van de alarmen de looprichting van de persoon kunnen aangeven. Indien de alarmen zijn veroorzaakt door een temperatuurverplaatsing zoals beschreven, speelt de inlooptijd geen rol meer. In dat geval telt alleen welke detector het eerst een temperatuurwijziging signaleert welke aan de voorwaarden voldoet. De PIR sensors meten alleen de temperatuur van de achtergrond, zoals de vloer of de wand, verwarmde lucht wordt niet gezien als achtergrond.
In een brief van 10 april 2014 (productie 20 bij memorie na deskundigenberichten aan de zijde van [appellant] ) beantwoordt dhr. Schrader voorts nog de vraag of het mogelijk is dat warme lucht kan zijn doorgedrongen tot de plek waar sensoren van de bewegingsmelders hangen om deze achtereenvolgens te activeren. Hij omschrijft, in overeenstemming met zijn rapport als hierboven vermeld, de werking van een PIR-sensor. Daarbij merkt hij op dat de achtergrond over het algemeen niet wordt verstoord door warme lucht die de ruimte vult, dat wil zeggen niet plotseling, niet van links naar rechts of vice versa. Bijgevolg wordt warme lucht die de ruimte vult niet als een beweging gezien. Hij noemt het voorbeeld van warme lucht uit een föhn die door het detectieveld wordt geblazen, waardoor de detector niet in alarm komt.
Beslissing
vrijdag 15 januari 2016 om 9.30 uur;