Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
- de vrouw aan de man € 24.240,- dient te vergoeden ter zake van het aandeel van de man in de investering van partijen bij de aankoop van de woning aan de [adres 1] ;
- de man aan de vrouw € 38.023,81 dient te betalen op grond van artikel 3, lid 1, van de huwelijkse voorwaarden van partijen;
- de man aan de vrouw € 4.400,- dient te vergoeden ter zake van de [personenauto] ;
- partijen bij helfte zullen delen: de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekeringen met nummer [1] ten name van de vrouw en nummer [2] ten name van de man;
- ieder der partijen de inboedel die hij of zij thans onder zich heeft behoudt, zulks met uitzondering van de reisdagboeken, de boomlamp, de vuilnisbak en het restant boeken/dvd’s/cd’s/lp’s/strips/tijdschriften, die de vrouw nog aan de man dient af te geven, zulks zonder nadere verrekening;
gemeenschappelijkehuishouding van partijen. Het hof stelt vast dat partijen daarmee op dit punt zijn afgeweken van artikel 1:84 BW Pro, waarin sprake is van de kosten der huishouding zonder de toevoeging “gemeenschappelijke”. Vaststaat dat de gemeenschappelijke huishouding van partijen per 16 oktober 2011 is geëindigd zodat door partijen na deze datum betaalde lasten niet meer als kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 2 van Pro de huwelijkse voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd. Het hof is van oordeel dat partijen hun verzoeken ter zake niet dan wel onvoldoende hebben toegespitst op een specifieke periode. Immers, een deel van de door de vrouw en de man verzochte vergoeding van door hen betaalde kosten van de huishouding betreft de periode na 16 oktober 2011, waarin geen sprake meer is van kosten van de gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden, terwijl de verdeelsleutel die partijen als grondslag voor hun verzoek hanteren, gebaseerd is op het inkomen van partijen gedurende de periode die zowel in als buiten het fourneertijdvak valt. Nu het fourneertijdvak onvoldoende is afgebakend, kan het hof de verzoeken van partijen aangaande de kosten van de huishouding niet beoordelen. Of de man bepaalde inkomsten al dan niet fiscaal heeft verantwoord, behoeft derhalve geen nadere bespreking. Het hof komt niet toe aan het bewijsaanbod van de vrouw ter zake. Gelet op dit alles dient de bestreden beschikking te worden vernietigd voor zover daarin de vrouw een vergoeding ter zake kosten van de huishouding is toegekend en dienen de verzoeken van partijen betreffende de kosten van de huishouding te worden afgewezen.