Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 17 november 2015
de gemeente Haarlemmermeer,
Stichting ICTU,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
zodrade Gemeente aan haar betalingsverplichtingen jegens ICTU heeft voldaan.
“er niet na(ar) behoren”wordt geleverd.
“niet betaalbaar mogen worden gesteld”.
“overeenkomstig de afspraken in de Aanvullende Overeenkomst alle issues als vermeld in artikel 2 lid 1 sub c zijn Pro verholpen”. De Gemeente heeft in die brief ook aanspraak gemaakt op vergoeding van haar schade voor het geval dat Logica niet aan de sommatie zal voldoen. Bij brief van 15 maart 2012 heeft de Gemeente zich op het standpunt gesteld dat Logica niet aan haar verplichtingen heeft voldaan en in verzuim is. Voorts heeft zij aanspraak gemaakt op de contractuele boete van € 15.000,-. In een brief van 27 april 2012 heeft de Gemeente aangegeven dat naar haar mening nog steeds niet alle gebreken zijn verholpen en heeft zij de boete “ingevorderd”. Daarbij heeft de Gemeente Logica tot 15 mei 2012 de tijd gegeven om “alle openstaande issues te verhelpen” en er aan toegevoegd dat wanneer Logia hieraan niet voldoet de zaak wordt overgedragen aan haar huisadvocaat, “
die de ontbinding dan voor ons zal afhandelen”. Logica heeft de Gemeente op 16 mei 2012 een credit-factuur gestuurd voor het bedrag van € 15.000,-.
“(…) Wij nodigen u uit voor een gesprek op 29 augustus 2012 over deze situatie. (…) Onze inzet in dit gesprek is erop gericht om op constructieve en zuivere wijze verdere uitvoering van het contract plaats te laten vinden. (…).”De Gemeente besluit de brief met:
“Volledigheidshalve merken wij op dat wij onze rechten voorbehouden dat gemeente, op basis van de uitkomsten van het overleg, de overeenkomst van rechtswege zou kunnen of zelfs zouden moeten ontbinden”.
grieven 1 tot en met 5zijn op verschillende gronden gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de Gemeente. De Gemeente voert in dit verband aan dat zij door het optreden van ICTU is verarmd. Zij heeft, omdat CGI een niet-werkend systeem heeft opgeleverd, haar betalingsverplichtingen opgeschort. Verder heeft de Gemeente schade geleden omdat door derden noodzakelijke maar ook aanvullende werkzaamheden zijn verricht die door het “uitzetten/ontmantelen” van Triple C waardeloos zijn geworden. Die schade kan de Gemeente verrekenen met de vordering van CGI, zodat van de betaling van een opeisbare schuld van de Gemeente door ICTU geen sprake is geweest.
Grief 6is gericht tegen de veroordeling tot betaling van de hoofdsom. De Gemeente voert aan dat ICTU eigen schuld heeft aan de schade en dat de schade niet aan de Gemeente kan worden toegerekend. Met
grief 7komt de Gemeente op tegen de toewijzing van de wettelijke handelsrente en met
grief 8tegen de veroordeling als zodanig.
“op constructieve en zuivere wijze verdere uitvoering van het contract”wil laten plaatsvinden, verhoudt zich zonder nadere toelichting ook niet tot haar stelling dat CGI structureel en ernstig tekort is geschoten en dat de Gemeente daardoor schade heeft geleden.
principaal appelbetekent dit dat het vonnis van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover daarin de wettelijke handelsrente over de hoofdsom is toegewezen. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd, terwijl het hof de Gemeente zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom. De Gemeente heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zodat zij zal worden veroordeeld in de kosten van het geding. De vordering van de Gemeente die ertoe strekt dat ICTU wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen de Gemeente heeft voldaan ter voldoening aan het vonnis van de rechtbank, is toewijsbaar voor zover de Gemeente, door betaling van de wettelijke handelsrente, méér heeft voldaan dan de hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten (ook weer vermeerderd met de wettelijke rente overeenkomstig 3.2 van het dictum van het vonnis van 23 juli 2014).
incidenteel appelis ingesteld onder de voorwaarde dat het hof ICTU niet in de gelegenheid stelt CGI in vrijwaring op te roepen en voor zover het hof geen toepassing geeft aan artikel 118 Rv Pro. Die voorwaarde is met het arrest van 19 mei 2015 in het incident ingetreden, zodat het hof ook het incidenteel appel zal beoordelen. Zoals in het arrest van 19 mei 2015 reeds is overwogen, kan een incidenteel appel zich slechts richten tegen een partij die principaal appel heeft ingesteld. Nu het incidenteel appel van ICTU zich richt tegen CGI, die geen principaal appel heeft ingesteld, moet ICTU niet-ontvankelijk worden verklaard in het incidenteel appel. Zij zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.
het incident tot vrijwaringheeft het hof de beslissing over de proceskosten aangehouden. In het incident tot vrijwaring heeft ICTU te gelden als de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij moet worden veroordeeld in de kosten van de Gemeente in het incident.
Beslissing
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2014, aangevuld bij vonnis van 27 augustus 2014, voor zover tussen partijen gewezen, doch uitsluitend voor zover daarbij de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 418.260,70 is toegewezen,
- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige
in zoverre opnieuw recht doende,
- veroordeelt ICTU tot terugbetaling aan de Gemeente van hetgeen zij ter voldoening aan het vonnis méér heeft betaald dan de hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente overeenkomstig dit arrest, en de proceskosten (ook weer vermeerderd met de wettelijke rente overeenkomstig 3.2 van het dictum van het vonnis van 23 juli 2014);
- veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van ICTU tot op heden begroot op € 5.114,- aan griffierecht en € 11.685,- aan salaris advocaat;
- veroordeelt ICTU in de kosten van het incident tot vrijwaring, aan de zijde van de Gemeente begroot op € 7.790,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af;
- verklaart ICTU niet-ontvankelijk;
- veroordeelt ICTU in de kosten van het incidenteel appel aan de zijde van de Gemeente, tot op heden begroot op € 1.947,50 aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.