Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van d.d. 6 oktober 2015
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
Relevante context en rechtsvraag
Grieven
- Uit de stukken blijkt niet dat de notaris de tekst van het verblijvingsbeding ter beoordeling aan [erflater] en [partner van erflater] heeft gestuurd. Dat kan ook niet nu dat nooit heeft plaatsgevonden. [erflater] heeft de tekst van het verblijvingsbeding dus ook nooit goedgekeurd.
- Dat notaris [naam] een verblijvingsbeding opneemt in de akte, zegt niets omtrent deze wilsovereenstemming. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld.
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat het schriftelijkvereiste, zoals opgenomen in voornoemde akte van 25 juni 2004, juist is bedoeld om discussie achteraf te voorkomen, hetgeen juist bij verblijvingsbedingen essentieel is, omdat bij het intreden van de werking van zo’n beding per definitie één der partijen reeds is overleden, en bewijs door getuigen daardoor lastig wordt. De betreffende zinsnede waarin is bepaald dat de overnameverplichting slechts bestaat ten aanzien van bij onderhandse of notariële akte aangegane geldleningen ter financiering van gemeld registergoed, dient waar het de verplichting van de onderhandse of notariële akte betreft gekwalificeerd te worden als een bewijsovereenkomst. Het staat partijen vrij om te bepalen dat bepaalde zaken slechts met bepaalde bewijsmiddelen mogen worden bewezen.
- Het enige dat de oud-notaris Van Mourik hier tegenover stelt is het zwaktebod van de redelijkheid en billijkheid. Waarom is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid bewijsafspraken te maken teneinde problemen te voorkomen?
- Bovendien gaat oud-notaris Van Mourik uit van het feit dat vaststaat dat appellante het geld aan haar zoon heeft geleend. Dat is bestreden en staat geenszins vast. Appellante heeft dat ook geenszins bewezen, aldus nog steeds geïntimeerde.