In hoger beroep heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd en verdachte vrijgesproken van poging tot moord op een persoon in Rotterdam op 2 augustus 2008. De verdachte werd ervan verdacht samen met anderen een levensdelict te hebben voorbereid en uitgevoerd, onder meer door het volgen van het slachtoffer en het verschaffen van middelen.
De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie aan wegens vormverzuimen en schending van de redelijke termijn, maar het hof verwierp dit verweer wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan aantoonbare schade. Ook het bewijsuitsluitingsverweer werd niet behandeld vanwege de beslissing.
Het hof vond dat de gedragingen van verdachte niet zodanig gericht waren op het levensdelict dat het opzet daarvoor kon worden aangenomen. Ondanks het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte, was het bewijs onvoldoende voor een veroordeling. De vordering tot gevangenneming werd afgewezen.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De zaak bevatte onder meer telefonische contacten, observaties en het gebruik van voertuigen en telefoons, maar deze waren niet overtuigend genoeg om schuld vast te stellen.