Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 8 december 2015
[naam],
[naam],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(3.1) Partijen hebben op 24 augustus 2009 een koopcontract voor de slijterij getekend, met daarin een koopsom van € 20.000,-- (hierna: Koopovereenkomst 1).
(3.2) Partijen hebben de dag daarna, in de ochtend van 25 augustus 2009, bij de notaris een akte van geldlening getekend (hierna ook: de geldlening) , inhoudende dat [geïntimeerde] erkent dat zij van [appellante] een bedrag van € 30.000,-- ter leen heeft ontvangen, met een rente van 5%, een maandelijkse aflossing van € 1.000,-- op de hoofdsom en de mogelijkheid tot vervroegde aflossing. Feitelijk heeft [appellante] geen € 30.000,-- aan [geïntimeerde] verstrekt.
(3.3) [geïntimeerde] heeft in het begin van de middag van 25 augustus 2009 per bank een bedrag van € 20.000,-- overgemaakt op de rekening van [appellante] (hierna: de spoedoverboeking).
(3.4) [appellante] heeft een tweede koopcontract, gedateerd 24 augustus 2009, (hierna: Koopovereenkomst 2) overgelegd, met daarin een koopsom van € 50.000,--, welk contract volgens [appellante] op 25 augustus 2009 is getekend nadat partijen bij de notaris waren geweest. De echtheid van de handtekening en de inhoud van Koopovereenkomst 2 worden door [geïntimeerde] stellig betwist.
- draagt [appellante] op te bewijzen dat partijen een koopsom voor de slijterij van
€ 50.000,-- zijn overeengekomen;
- draagt [geïntimeerde] op te bewijzen dat zij naast € 4.241,67 en € 750,-- nog € 6.687,50
heeft betaald aan [appellante].
Beoordeling van de grieven
heeft zich hiertoe in de eerste plaats gebaseerd op Koopovereenkomst 2. Laatstgenoemde akte levert tussen partijen echter geen bewijs op, aangezien [geïntimeerde] de akte zowel qua inhoud als qua ondertekening stellig heeft betwist, terwijl evenmin anderszins toereikend bewijs van de juistheid van de akte en/of de juistheid van de koopsom van € 50.000,-- door [appellante] is voorgebracht, een en ander zoals hierna verder zal worden toegelicht.
€ 30.000,--. Ze heeft naar haar zeggen steeds de bedragen betaald, die [appellante] haar telefonisch of per sms-bericht aangaf. Hieruit kan volgens [geïntimeerde] geen erkenning van een nog resterende schuld van € 30.000,-- worden afgeleid, hoogstens dat zij niet heeft gecontroleerd wat ze betaalde.
Het hof deelt het standpunt van [geïntimeerde] dat hieruit geen erkenning van het verschuldigd zijn van een restant-koopsom van € 30.000,-- (en mitsdien van een koopsom van
€ 50.000,--) kan worden afgeleid, zeker niet in het licht van hetgeen hiervóór is overwogen en gelet op de omstandigheid dat [appellante] niet heeft betwist dat zij de te betalen bedragen telefonisch of per sms aan [geïntimeerde] doorgaf. De juistheid van de buitengerechtelijke uitlatingen van de toenmalige advocaat van [geïntimeerde], wat hier ook van zij, wordt door [geïntimeerde] weersproken. Nu het niet gaat om een gedekt verweer (in de zin van artikel 348 Rv Pro), noch van een erkenning in rechte, kunnen deze uitlatingen niet in zodanige mate bijdragen aan het bewijs van [appellante] dat dit bewijs alsnog geleverd is te achten.
Voor de goede orde wordt tot slot in dit verband opgemerkt dat [geïntimeerde] geen incidenteel appel heeft ingesteld. Mocht [geïntimeerde] desondanks bedoeld hebben incidenteel te appelleren tegen de gedeeltelijk afwijzende beslissing in het dictum omtrent hetgeen zij op de restschuld van € 10.000,-- heeft afbetaald, (zie rechtsoverweging 5 van dit arrest en rechtsoverweging 3.4 in het bestreden eindvonnis), heeft zij dit incidenteel appel niet met de vereiste mate van duidelijkheid voor hof en wederpartij naar voren gebracht, zodat het hof hieraan voorbij gaat.
Slotsom
Beslissing
van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 704,-- aan verschotten en € 1.788,-- aan
salaris advocaat (totaal € 2.492,--), waarvan te voldoen:
an kosten advocaat een bedrag van € 1.788,-- en