Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
arrest van 22 december 2015
[appellant],
Jamabel N.V.,
Zuidsingel B.V.,
Berkendaal B.V.,
Stichting Havensteder,
Het verloop van het geding
Beoordeling in hoger beroep
grieven 1 tot en met 6komt [appellant] c.s. op tegen de verwerping van dat beroep. Deze grieven falen. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van nietigheid van de dagvaarding. De dagvaarding omschrijft, in samenhang met de aangifte waarnaar in de dagvaarding wordt verwezen, voldoende duidelijk de vordering en de gronden waarop deze berust, zodat is voldaan aan het voorschrift van artikel 111 lid 2 onder Pro d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het hof wijst met name op de alinea’s 3.1 tot en met 3.3 waarin de essentie van het gestelde onrechtmatige handelen staat beschreven. Verder wijst het hof op de alinea’s 3.4 en 3.21 tot en met 3.23 van de dagvaarding, waar een aantal transacties waarbij volgens PWS onrechtmatig is gehandeld door ophoging van de koopprijs, met naam worden genoemd. Vervolgens noemt PWS onder 4.1 en 4.2 nog een aantal specifieke transacties waarbij zij stelt te zijn benadeeld, onder verwijzing naar specifieke vindplaatsen in de door haar gedane aangifte. Onder 5 van de dagvaarding noemt PWS als component van het gestelde onrechtmatige gedrag dat door PWS ten onrechte vergoedingen aan externe adviseurs zouden zijn betaald die vervolgens tussen de betreffende adviseur en [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [appellant] zouden zijn verdeeld. Het hof verenigt zich verder met hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen onder 4.30, vierde alinea van het bestreden vonnis. Voor [appellant] c.s. was aldus voldoende duidelijk wat de vordering behelsde en waarop deze berustte. Dat daarbij nog niet alle details per transactie werden beschreven en dat de gronden van de eis nadien in de procedure zijn uitgewerkt en uitgebreid, maakt niet dat de inleidende dagvaarding nietig is.
Grief 9 in het principaal beroepis gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de uitbreiding van de grondslag van de vordering van PWS van handelen in strijd met een wettelijke plicht naar handelen in strijd met hetgeen volgens normen van ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, toelaatbaar is. [appellant] c.s. heeft bij die grief geen belang. PWS legt, zoals blijkt uit haar stellingen in de MvA immers in elk geval in hoger beroep alsnog handelen in strijd met bedoelde ongeschreven rechtsnormen aan haar vorderingen ten grondslag en niet valt in te zien (en [appellant] c.s. voert dat ook niet aan) dat dat haar niet zou vrijstaan. Grief 9 faalt.
grieven 7 en 8 in het principaal beroepzijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de uitbreiding van de grondslag van de vordering van PWS met artikel 6:166 BW Pro (het leerstuk van de groepsaansprakelijkheid) toelaatbaar is. Ook hier geldt dat [appellant] c.s. bij die grieven geen belang heeft, omdat PWS dat wetsartikel in hoger beroep in elk geval alsnog aan haar vorderingen ten grondslag legt en niet valt in te zien (en [appellant] c.s. voert dat ook niet aan) dat dat haar niet zou vrijstaan. De grieven 7 en 8 slagen niet.
grieven 10 tot en met 13overweegt het hof in verband met de onrechtmatigheid van het gestelde handelen van [appellant] c.s. als volgt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in 1998 en de jaren daarna in het maatschappelijk verkeer wel ongeschreven normen bestonden voor hetgeen toelaatbaar was in de verhouding tussen [appellant] als voorzitter van de Raad van Toezicht van een woningstichting, welke Raad vooraf goedkeuring aan het bestuur diende te verlenen voor aan- en verkopen van onroerend goed, en die woningstichting als eigenares van vele panden. Het hof is verder van oordeel dat het [appellant] op grond van die ongeschreven normen niet vrijstond, en het dus onrechtmatig was jegens PWS, om in privé geld te verdienen aan transacties waar hij uit hoofde van zijn functie bij PWS bij betrokken of van op de hoogte was, zonder dat dit bij PWS en de andere leden van de Raad van Toezicht bekend was en hun instemming had. Evenmin stond het [appellant] c.s. vrij eraan mee te werken dat andere functionarissen van PWS zoals [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in privé (al dan niet via door hen beheerste vennootschappen) bedragen ontvingen zonder dat dit bekend was bij PWS en de andere leden van de Raad van Toezicht. Daarbij maakt het geen verschil of [appellant] al dan niet via zijn netwerk had bemiddeld bij de totstandkoming van de transactie. Het moge zo zijn dat het in de vastgoedwereld gebruikelijk is dat een bemiddelings
fee, bestaande in een percentage van de transactieprijs, wordt betaald, maar dan is de betalende partij daarvan op de hoogte. Niet relevant is ook of [appellant] c.s. zelf actief betrokken was bij de totstandkoming van de transactie en invloed had op de koopprijs. Reeds het in privé verdienen aan transacties van PWS zonder dat PWS en de overige leden van de Raad van Toezicht dat wisten, is onrechtmatig. Daar komt bij een aantal van de hierna afzonderlijk te bespreken transacties bij dat het hof van oordeel is (zie ook hierna onder 15 en 17) dat [appellant] bij die transacties moet hebben geweten dat de koopprijs kunstmatig werd opgehoogd zodat PWS meer dan de vraagprijs betaalde, en dat een gedeelte van het surplus door de verkoper via omwegen werd teruggesluisd naar [appellant] , [betrokkene 1] of [betrokkene 2] of één van de door hen beheerste vennootschappen en vervolgens onder hen dan wel hun vennootschappen verder werd verdeeld. In die gevallen heeft [appellant] (alsook de betreffende door hem beheerste vennootschap, zie hierna onder 25 tot en met 29) a fortiori onrechtmatig gehandeld. Het hof deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat het feit dat een door PWS betaalde koopprijs voldeed aan de rendementseisen en de goedkeuring had van de voltallige Raad van Toezicht, niet ter zake doet voor de beantwoording van de vraag of onrechtmatig is gehandeld. De Raad van Toezicht was immers niet op de hoogte van het feit dat (en hoeveel) [appellant] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in privé verdienden aan de transacties. Het enkele feit dat de aankopen voldeden aan de (minimum)eisen, betekent nog niet dat lagere aankoopprijzen niet meer rendement zouden hebben opgeleverd. De grieven 10 tot en met 13 falen.
grieven 16, 18 en 27wordt betoogd dat [appellant] c.s. geen opzet tot benadeling van PWS had en dat zijn handelen om die reden niet onrechtmatig is, hem niet kan worden toegerekend respectievelijk dat de relativiteit ontbreekt, zien deze grieven eraan voorbij dat ook zonder een dergelijke opzet sprake kan zijn van toerekenbaar onrechtmatig handelen jegens PWS. Daarvan is ook sprake indien [appellant] c.s. zichzelf willens en wetens op de hiervoor beschreven onoirbare wijze heeft bevoordeeld ten koste van PWS.
Grief 1 in het incidenteel beroepfaalt derhalve. Stelplicht en bewijslast ter zake van de aan het gestelde onrechtmatig handelen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden rusten overeenkomstig de hoofdregel van bewijslastverdeling van artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op PWS. Of [appellant] c.s. in het kader van zijn betwisting van door PWS gestelde feiten voldoende heeft gesteld, zal per afzonderlijk project worden bezien en is mede afhankelijk van de mate van gedetailleerdheid en motivering van de feitelijke stellingen van PWS en van het beschikbare bewijsmateriaal. Bij de beoordeling of ten aanzien van een project bepaalde feiten zijn komen vast te staan, kan voorts een rol spelen hetgeen ten aanzien van andere projecten is komen vast te staan.
Grief 16, waarmee [appellant] betoogt dat de door hem na afloop van een transactie ontvangen bedragen niet van invloed zijn geweest op de koopprijs, doet niet af aan het onder 11 gegeven oordeel aangaande de onrechtmatigheid van het daar genoemde gedrag. Naar het oordeel van het hof moet [appellant] bovendien in elk geval in de onder 14, 15 en 17 bedoelde gevallen hebben geweten dat het om bedragen ging die aan PWS waren onttrokken, hetzij onder het mom van een betaalde koopprijs, hetzij onder het mom van betaalde courtage, hetzij op andere wijze. Ook
grief 27, waarin dit betoog wordt herhaald, faalt.
Grief 19, die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het gebruik van Zwitserse bankrekeningen door betrokkenen een aanwijzing vormt voor hun bewustheid van de onoirbaarheid van hun handelen, behoeft geen bespreking wegens gebrek aan belang, nu het hof ook reeds zonder het gebruik van Zwitserse bankrekeningen erbij te betrekken, van oordeel is dat in de gevallen als bedoeld onder 14, 15 en 17 voldoende vaststaat dat sprake is van onrechtmatig handelen als onder 11 bedoeld.
te zendenaan het bekende adres.
264 tot en met 282 van de memorie van grieven, dat het hof voor zover nodig opvat als grieven, leidt niet tot een ander oordeel.
grief 20 tot en met 23 en 33) tegen oordelen van de rechtbank over onderwerpen die ook in de schadestaatprocedure kunnen worden behandeld, zoals causaal verband, eigen schuld en voordeelstoerekening. Volgens [appellant] c.s. loopt de rechtbank daarmee ten onrechte vooruit op die procedure. Deze grieven falen in zoverre, dat het de rechter vrijstaat in de hoofdprocedure reeds te oordelen over onderwerpen die ook kunnen worden behandeld in een schadestaatprocedure. Overigens heeft [appellant] c.s. bij deze grieven geen belang, nu het hof voornemens is, anders dan de rechtbank, de schade in deze procedure vast te stellen en de zaak daartoe niet te verwijzen naar de schadestaatprocedure.
Grief 3 in het incidenteelberoep slaagt.
Grief 17, die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat aanleiding bestaat voor ruime toerekening, faalt bij gebrek aan belang, aangezien de onder 19 bedoelde schade in nauw verband staat met het onrechtmatig handelen van [appellant] c.s., zodat een ruime toerekening niet aan de orde is. De
grieven 30 en 32falen in het voetspoor van grief 17.
grief 15bestrijdt [appellant] c.s. het oordeel van de rechtbank dat de kennis van [appellant] kan worden toegerekend aan de drie vennootschappen Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal.
Grief 14is gericht tegen het oordeel dat [appellant] als bestuurder (secundair) aansprakelijk is voor het onrechtmatige handelen van Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal. In alle gevallen waarin één of meer van deze vennootschappen onrechtmatig hebben gehandeld, is dit een van het onrechtmatig handelen van [appellant] “afgeleid” onrechtmatig handelen. [appellant] is in die gevallen aansprakelijk voor eigen onrechtmatig handelen (niet als bestuurder). Het onrechtmatige handelen van de drie vennootschappen in het kader van bepaalde projecten bestaat er uit dat zij zich door [appellant] hebben laten gebruiken als vehikel voor het versturen van facturen en het ontvangen en betalen van gelden, waarbij zoals overwogen (onder 28) de kennis van [appellant] aan elk van de drie vennootschappen dient te worden toegerekend. [appellant] heeft daarom bij deze grief geen belang.
grief 24klaagt [appellant] c.s. erover dat de rechtbank haar oordeel dat [appellant] , Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal hoofdelijk aansprakelijk zijn, in het geheel niet heeft gemotiveerd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voor zover [appellant] en één of meer van de drie vennootschappen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, er sprake is van hoofdelijkheid. Per project dient daartoe te worden bekeken of één of meer, en zo ja, welke van deze partijen onrechtmatig heeft (hebben) gehandeld, zij het dat in de gevallen waarin wordt geoordeeld dat één of meer van de drie vennootschappen onrechtmatig heeft c.q. hebben gehandeld, dit er op is gebaseerd dat [appellant] zelf onrechtmatig heeft gehandeld (niet als bestuurder), zie het onder 29 overwogene. Grief 24 faalt. Ook
grief 25, die ervan uitgaat dat PWS in het geheel geen schade heeft geleden, faalt, zoals uit het onder 19 overwogene en uit hetgeen bij de afzonderlijke projecten wordt overwogen, volgt.
Grief 26, die het condicio sine qua non verband tussen de vermeende schade en de gedragingen van ieder van [appellant] c.s. afzonderlijk bestrijdt, faalt op grond van hetgeen onder 21 ter zake van groepsaansprakelijkheid is overwogen en/of op grond van hetgeen bij de afzonderlijke projecten wordt overwogen. Voor zover [appellant] c.s. in de toelichting op grief 26 ook betoogt dat PWS met diverse gedaagden uit de eerste aanleg schikkingen heeft getroffen en dat de bij de schikkingen ontvangen bedragen in mindering moeten komen op de schade, overweegt het hof als volgt. Het hof acht het debat over de omvang van de resterende schade nadat PWS met diverse bij het onrechtmatig handelen betrokkenen een schikking heeft getroffen, nog onvoldoende uitgekristalliseerd om daarover thans reeds een definitief oordeel te kunnen geven. Het hof zal daarom partijen in de gelegenheid stellen naar aanleiding van dit arrest hun debat over dit punt voort te zetten.
Grief 30, waarmee [appellant] c.s. betoogt dat het niet meer dan logisch is dat Eljawa een door haar te betalen vergoeding aan een bemiddelende partij laat meewegen in haar vraagprijs, slaagt niet. [appellant] c.s. heeft onvoldoende onderbouwd dat [makelaar B] bemiddelingswerk ten behoeve van Eljawa heeft verricht en dat het zeer gebruikelijk is dat een bemiddelaar van beide partijen een vergoeding ontvangt. Ook blijft onverklaard waarom [makelaar B] de vergoeding dan niet zelf behield maar doorbetaalde aan [appellant] (en waarom [appellant] die dan weer voor 2/3 doorbetaalde aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ).
grieven 28 en 29, die ervan uitgaan dat de vermelding op het staatje D/002 daartoe onvoldoende is, falen.
grief 31aanvoert dat de vordering van PWS jegens Jamabel niet zag op de Aelbrechtskade zodat de rechtbank in zoverre buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, kan dit haar niet baten, nu PWS in elk geval in hoger beroep (ook) jegens Jamabel vergoeding van de bij het project Aelbrechtskade geleden schade vordert.
Grief 35slaagt; de
grieven 34 en 36behoeven daarom geen behandeling wegens gebrek aan belang.
Grief 40slaagt in zoverre.
Grief 38slaagt. Dit brengt mee dat ook
grief 39, die is gericht tegen de toewijzing van de vordering ter zake van dit project jegens Berkendaal, in zoverre slaagt.
Grief 4 in het incidenteel beroepfaalt daarom.
Grief 5 in het incidenteel beroepslaagt in zoverre. Hoewel het hof niet heeft kunnen vaststellen dat hier sprake is van een project dat voorkomt op de bij [appellant] thuis aangetroffen verdelingsstaten D/001, D/002 of D/003, acht het hof [appellant] en Berkendaal op grond van groepsaansprakelijkheid aansprakelijk voor het gehele door [A] doorbetaalde bedrag, nu vast staat dat [A] zijn courtage in vijven heeft gedeeld met [appellant] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [H] en een verklaring daarvoor ontbreekt, en mede gelet op hetzelfde vaste stramien bij andere transacties die wel op de staatjes voorkomen. Het hof verwijst wat betreft de motivering van zijn oordeel dat sprake is van groepsaansprakelijkheid, naar rechtsoverwegingen 21 en 28.
Grief 39slaagt niet gezien de eiswijziging van PWS in hoofdstuk 93 van de MvA.
eerste (resp
. tweede, derdeof
vierde,toevoeging hof
)termijn’.
grieven 9 en 10in incidenteel appel tegen het vonnis.
grief 41aan dat geen vordering op deze grondslag toewijsbaar is, omdat de rechtbank het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op deze ƒ 2.450.000,- heeft afgewezen. Deze grief faalt, omdat PWS in hoger beroep haar vordering heeft vermeerderd, in die zin dat zij ter zake van dit project primair ƒ1.500.000,- en ƒ 2.450.000,- vordert en van haar kant ook een grief tegen de afwijzing van de vordering heeft geformuleerd. Deze vermeerderde vordering wordt afgewezen voor zover deze het bedrag van ƒ 1.500.000,- betreft, aangezien wordt aangenomen dat Overeenkomst I is vervangen door Overeenkomst II. Daarmee faalt ook
grief 9 in het incidenteel appel,voor zover daarin tot uitgangspunt is genomen dat alle overeenkomsten naast elkaar bestaan.
grief 42voert [appellant] c.s. aan dat slechts een deelbetaling van ƒ 800.000,- kan worden getraceerd en dat de FIOD ten aanzien van deze betaling niet heeft kunnen bewijzen dat doorbetaling aan derden heeft plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat uit het staatje D/001 moet worden afgeleid dat de daarin genoemde bedragen zijn ontvangen en op de daar aangegeven wijze zijn verdeeld (rov. 14). Voorts moet uit het feit dat de koper die bedragen (niet aan PWS maar aan [appellant] en de zijnen) heeft betaald worden afgeleid dat zij zijn onttrokken aan de verkoopprijs (rov. 17).
grief 10 in het incidenteel appelkeert PWS zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij te weinig heeft gesteld voor de subsidiaire grondslag groepsaansprakelijkheid.
grief 45voert [appellant] c.s. aan dat niet is vast komen te staan dat Zuidsingel in het kader van de transactie Woonplus II een bedrag van ƒ 45.000,- heeft ontvangen. Dit verweer wordt verworpen op grond van hetgeen hiervoor in rov. 65 is overwogen.
Grief 46is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat PWS haar vordering ter zake van de transactie Woonplus I voldoende heeft onderbouwd.
Grief 47betreft het oordeel van de rechtbank dat voldoende aannemelijk is dat PWS schade heeft geleden ter zake van de transacties Woonplus I en II. De grief faalt op grond van hetgeen hiervoor in rov. 68 is overwogen.
Grief 48wordt verworpen op grond van hetgeen is overwogen in rov. 22.
De grieven 49 en 50falen op grond van hetgeen is overwogen in rov. 11 en in rov. 68 hiervoor.
Grief 51betreft de aansprakelijkheid van Zuidsingel ten aanzien van Woonplus I. [appellant] betoogt met juistheid dat PWS geen vordering heeft ingesteld jegens Zuidsingel ter zake van de transactie Woonplus I. De vordering jegens Zuidsingel heeft alleen betrekking op Woonplus II (dagvaarding in eerste aanleg onder 10.9 en het petitum ten aanzien van gedaagde sub (8)). Het verweer van PWS dat in de conclusie van repliek in paragraaf 27.18 een vordering ter zake van Woonplus I is ingesteld wordt verworpen. In de desbetreffende paragraaf wordt de naam van Zuidsingel niet genoemd. Ook in hoger beroep heeft PWS de vordering ter zake van Woonplus I slechts tegen [appellant] ingesteld en bij haar eiswijziging (MvA hoofdstuk 93) heeft zij deze niet uitgebreid met een vordering tegen Zuidsingel. Grief 51 slaagt dan ook.
grief 52bestrijdt [appellant] c.s. het oordeel van de rechtbank dat [appellant] wist dat [makelaar B] gelden ter zake van deze transactie doorbetaalde en dat dit geld ten koste van PWS werd gegenereerd door verhoging van de koopprijs. Met
grief 53komt [appellant] c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat het gelet op de positie van [appellant] binnen de Raad van Toezicht van PWS onrechtmatig was dat hij heeft verdiend aan een transactie waarbij PWS was betrokken.
grieven 52 en 53falen op grond daarvan en gezien de hiervoor onder 73 vermelde feiten.
Grief 12 in het incidenteel beroepslaagt in zoverre. Ten aanzien van het door [betrokkene 6] aan Concaris betaalde en door Concaris aan [makelaar B] Holding doorbetaalde bedrag van ƒ 250.000,- dat PWS vordert, acht het hof onvoldoende aangetoond dat dit is betaald in het kader van de onderhavige transactie. Dit bedrag komt daarom niet als schade die is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van [appellant] c.s. bij deze transactie voor vergoeding in aanmerking.
Grief 12 in het incidenteel beroepfaalt in zoverre. Het hof is op grond van de feiten bij deze transactie van oordeel dat voldoende vaststaat dat het gehele prijsverschil tussen de eerste (voorgenomen) transactie en de tweede (daadwerkelijk uitgevoerde) transactie kunstmatig is. In dit verband weegt voor het hof ten eerste zwaar dat de concept-akte tussen [betrokkene 6] en [makelaar B] Holding van een datum is die slechts 2 dagen is gelegen vóór de concept-akte tussen [betrokkene 6] en PWS. [appellant] c.s. heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Niet lang na beide concept-koopakten is de levering aan PWS gevolgd. De verklaring die [appellant] c.s. heeft gegeven voor het prijsverschil wordt door dit korte tijdsbestek onaannemelijk. Bovendien heeft [appellant] c.s. niet meer gereageerd op de ter bestrijding van die verklaring aangevoerde stelling van PWS dat in de concept-overeenkomst(en) van een huurder geen sprake is en dat uit de huuradministratie evenmin blijkt van nieuwe huurders vlak voor of rond de aankoopdatum. Ten tweede acht het hof de gelijkenis tussen het bedrag van het prijsverschil en het bedrag dat [betrokkene 6] aan [makelaar B] Holding heeft betaald (beide ƒ 1.500.000,-) een sterke aanwijzing. Naar het oordeel van het hof staat daarom – en bij gebreke van voldoende concrete en onderbouwde andere verklaringen voor de vaststaande feiten zoals vermeld onder 73 – vast dat het bedrag van ƒ 1.500.000,- dat [makelaar B] Holding van [betrokkene 6] heeft ontvangen, schade vormt die PWS heeft geleden door het (groeps)handelen van [appellant] en Jamabel. Het hof is, mede op grond van het onder 21 en 28 overwogene, van oordeel dat gezien de vaststaande feiten [appellant] en Jamabel bij deze transactie hebben gehandeld in groepsverband als bedoeld in artikel 6:166 BW Pro met [makelaar B] (Holding), [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Dat de door [makelaar B] afgedragen btw niet onder de betrokkenen is verdeeld, betekent niet dat dit bedrag niet ook schade vormt van PWS die door de - in dit geval - groep van Jamabel/ [appellant] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [makelaar B] (Holding) is veroorzaakt. Om dezelfde redenen en gelet op de rol(len) die [makelaar B] Holding in deze transactie heeft gespeeld, acht het hof voorts voldoende bewezen dat de gehele door PWS aan [makelaar B] Holding ten titel van courtage of provisie betaalde som van ƒ 112.000,- ten onrechte aan PWS is onttrokken (en dus niet alleen het gedeelte ad ƒ 84.000,- dat is terechtgekomen bij Jamabel/ [appellant] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) en dat dit gehele bedrag eveneens schade van PWS vormt. Het is bij dit project vanwege de specifieke vaststaande feiten voldoende komen vast te staan dat [makelaar B] Holding jegens PWS geen recht had op provisie of courtage wegens bemiddelingswerkzaamheden, nu [makelaar B] Holding juist heeft meegewerkt aan benadeling van PWS door het onrechtmatig onttrekken aan PWS van een bedrag van ƒ 1.500.000,-.
grief 54valt [appellant] c.s. het oordeel van de rechtbank aan dat voldoende is komen vast te staan dat [appellant] in verband met dit project gelden heeft ontvangen. Deze grief faalt. Het hof is van oordeel dat de vermelding op document D/003 hiervoor voldoende bewijs vormt, zoals reeds geoordeeld onder 14. Het hof voegt daaraan op deze plaats nog toe dat bij enkele van de hiervoor besproken projecten vermeldingen op D/001 of D/002 correspondeerden met door de FIOD aangetroffen facturen en betalingen, dat grote gelijkenis bestaat tussen D/001, D/002 en D/003 en dat alle drie deze overzichten bij [appellant] thuis zijn gevonden. Verder blijkt uit het onder 79 genoemde FIOD proces-verbaal dat de FIOD ook met de onderhavige vermelding op D/003 corresponderende documenten en betaalstromen heeft aangetroffen. De betaling aan [appellant] heeft plaatsgevonden aan/via Jamabel.
Grief 55faalt voor zover deze voortbouwt op grief 54 en op grond van het onder 11, 14 en 17 overwogene.
Grief 56is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat aannemelijk is dat PWS ten gevolge van het onrechtmatige handelen van [appellant] schade heeft geleden. [appellant] voert ter toelichting aan dat de beide betaalde bedragen bekend waren bij PWS, PWS daarmee heeft ingestemd en dat PWS zich aldus op rechtmatige wijze tot deze betalingen heeft verbonden. Ook zonder dat deze bedragen onder [appellant] en de andere betrokkenen zouden zijn verdeeld, waren deze vergoedingen dus door PWS verschuldigd en vormden zij derhalve geen schade voor PWS, zo betoogt [appellant] .
grieven 57 tot en met 63falen.
grief 13 in het incidenteel beroepvordert, oordeelt het hof als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [makelaar B] een bedrag van € 657.049,02 heeft ontvangen van de verkopende partij, [getuige 2] c.s. Blijkens de factuur d.d. 19 december 2002 met de vermelding: “betreft: Pleinweg te Rotterdam” (productie 69 bij conclusie na comparitie) van Giam (een door [makelaar B] beheerste vennootschap) aan Houdstermaatschappij Schieland B.V. is aan laatstgenoemde (één van de drie verkopende vennootschappen) ter zake van dit project voorts een bedrag van € 261.407,18 door [makelaar B] (via Giam) gefactureerd. Gelet op deze vaststaande feiten staat tevens voldoende vast dat PWS als gevolg van het onrechtmatige (groeps)handelen van [appellant] c.s. schade heeft geleden ter hoogte van deze bedragen.
Grief 13 in het incidenteel beroepslaagt derhalve.
+€ 261.407,18 bedraagt.
Grief 66faalt. De
grieven 14 en 15 in het incidenteelberoep slagen.
Grief 67faalt.
Grief 65behoeft geen behandeling wegens gebrek aan belang, nu naar het oordeel van het hof reeds op basis van het eigen onrechtmatig handelen van [appellant] en Jamabel als hiervoor omschreven, de schade van PWS is veroorzaakt.
Grief 6 in het incidenteel beroepfaalt.
Grief 7 in het incidenteel beroepslaagt gedeeltelijk.
Grief 8 in het incidenteel beroepfaalt.
Grief 11 in het incidenteel beroepslaagt gedeeltelijk.
Grief 16 in het incidenteel beroepslaagt in zoverre.
Grief 70faalt en
grief 69behoeft geen behandeling wegens gebrek aan belang.