Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
18 februari 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag.
- de bewindvoerder, bijgestaan door zijn advocaat;
- de zusters van de bewindvoerder.
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak stond het verzoek van de bewindvoerder centraal om toestemming te verkrijgen voor het doen van schenkingen ten laste van het vermogen van de wilsonbekwame rechthebbende aan haar drie kinderen. De rechtbank had dit verzoek eerder afgewezen, maar het hof vernietigde deze beschikking en verleende alsnog machtiging.
De bewindvoerder stelde dat er een schenkingstraditie bestond sinds 2006, waarbij de rechthebbende jaarlijks schenkingen deed binnen de fiscaal toegestane vrijstellingen. De gevraagde schenkingen waren hoger vanwege de tijdelijke verruiming van de schenkingsvrijstelling en het vrijkomen van middelen door de verkoop van de eigen woning. Het hof constateerde dat het resterende vermogen van de rechthebbende ruim boven de ondergrens van €30.000 lag, zodat de toekomstige verzorging niet in gevaar kwam.
Het hof oordeelde dat de bewindvoerder voldoende had aangetoond dat de rechthebbende gebruik wilde maken van de tijdelijke verruiming van de vrijstelling en dat de schenkingen in lijn waren met haar wensen. Daarom werd de machtiging verleend, met de kanttekening dat de schenking aan een van de kinderen werd aangemerkt als aflossing van een bestaande lening. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof verleent machtiging aan de bewindvoerder om namens de wilsonbekwame rechthebbende eenmalige schenkingen te doen aan haar kinderen onder de tijdelijke verruiming van de schenkingsvrijstelling.