Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Proces-verbaal
naam: [naam],
[voornaam],
Gerechtshof Den Haag
De verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met een snelheidsovertreding op de A16 waarbij een Porsche Cayenne met een snelheid van 198 km/u reed, terwijl de maximumsnelheid 100 km/u bedroeg. De verdachte had het voertuig voor een etmaal gehuurd en werd primair als houder en subsidiair als bestuurder van het voertuig ten laste gelegd.
De verdachte ontkende bestuurder te zijn geweest en gaf aan dat hij de auto had uitgeleend aan zijn broer, die deze weer aan een ander had uitgeleend. De raadsvrouw maakte de gegevens van de vermeende bestuurder kenbaar. Het hof onderzocht of de verdachte als houder kon worden aangemerkt volgens artikel 1, eerste lid onder o van de Wegenverkeerswet 1994.
Het hof oordeelde dat een huurovereenkomst voor slechts enkele dagen niet leidt tot het begrip 'houder' in de zin van de wet, zoals bevestigd door de Hoge Raad in 1991. Gezien het legaliteitsbeginsel kan het hof het begrip niet anders uitleggen dan door de Hoge Raad is vastgesteld. Hierdoor is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte houder was en ook niet dat hij bestuurder was. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat hij als kortdurende huurder niet als houder van het voertuig wordt aangemerkt en er geen bewijs is dat hij bestuurder was.