Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2015:4012

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2015
Publicatiedatum
28 maart 2017
Zaaknummer
22/001964-14
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor beroepsmatige hennepteelt en elektriciteitsdiefstal in Leimuiden

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het beroepsmatig telen, bewerken en verwerken van hennep, alsmede het stelen van elektriciteit in een loods te Leimuiden. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht op basis van het bewijs uit onder meer een MMA-melding, netmeting en politie-inval met toestemming.

De verdediging voerde aan dat de politie onrechtmatig was binnengetreden en dat de verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor geen advocaat had kunnen raadplegen. Het hof verwierp deze verweren omdat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld en de verdachte bij het eerste verhoor ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn recht op een raadsman.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte gedurende een periode van bijna drie jaar hennep had geteeld en verwerkt, en elektriciteit had gestolen door illegale aansluitingen. De strafbaarheid werd bevestigd, mede gezien eerdere veroordelingen van de verdachte.

De opgelegde straf bestond uit 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van €20.211,90. De tijd van voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, en toewijzing van schadevergoeding van €20.211,90.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001964-14
Parketnummer: 09-797505-13
Datum uitspraak: 29 oktober 2015
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 april 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1964,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 1 december 2014 en 15 oktober 2015.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is er een beslissing genomen ter zake van de vordering van de benadeelde partij, één en ander zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 19 juni 2013 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 661 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 18 juni 2013 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [locatie]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 18 juni 2013 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door verbreking van de verzegeling van de hoofdaansluitkast, en/of het aanbrengen van een illegale elektriciteitsaansluiting buiten de elektriciteitsmeter om en/of het verzwaren van de hoofdzekeringen.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Verweren ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte – overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen – betoogd dat de politie onrechtmatig is binnengetreden, hetgeen onder verwijzing naar artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering een onherstelbaar vormverzuim oplevert. De vondst van de hennepkwekerij en de bewijsmiddelen die daarmee zijn verkregen, dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten, hetgeen tot de conclusie dient te leiden dat de verdachte van de aan hem ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor geen consult heeft gehad van een raadsman.
Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de zich in het dossier bevindende wettige bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 19 mei 2013 heeft de politie een MMA-melding (Meld Misdaad Anoniem) ontvangen met daarin de informatie dat er in een grote loods op de [locatie] te Leimuiden vermoedelijk een hennepkwekerij aanwezig zou zijn. Er zou een wietlucht zijn geroken en de ramen zouden zijn afgeplakt. In reactie hierop is van 8 juni 2013 tot en met 12 juni 2013 door netwerkbeheerder [benadeelde] een netmeting verricht op de [locatie] te Leimuiden. Uit deze meting is gebleken dat er iedere dag tussen 19.55 uur tot 07.55 uur een grote stroomafname plaatsvond op de [locatie] terwijl op de hoofdkabel slechts vijf woningen en een bedrijfshal waren aangesloten. Op basis hiervan is op 19 juni 2013 met toestemming van de officier van justitie binnengetreden in de loods ter opsporing en inbeslagname van de hennepkwekerij.
Gelet op het voren overwogene is het hof van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is geweest van een redelijk vermoeden van schuld, als bedoeld in artikel 9, eerste lid aanhef en onder b Opiumwet, nu naar aanleiding van een MMA-melding door [benadeelde] in bovengenoemde periode een netmeting is gedaan, waarbij de MMA-melding nader is geconcretiseerd en waarvan de resultaten aan de politie zijn verstrekt. Naar ’s hofs oordeel is er rechtmatig binnengetreden. Nu derhalve geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering wordt het verweer mitsdien verworpen.
Ter zake van het door de raadsman ingenomen standpunt dat de verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor geen consult heeft gehad van een raadsman stelt het hof vast dat de verdachte bij gelegenheid van zijn eerste verhoor op het politiebureau op 19 juni 2013, bij de aanvang daarvan, ondubbelzinnig heeft verklaard dat hij afziet van zijn recht op een advocaat. Het enkele feit dat in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2013 door een verbalisant is opgenomen dat de verdachte gebruik wilde maken van het recht op het consulteren van een raadsman doet daaraan niet af, nu die mededeling eerder door verdachte thuis was gedaan, te weten direct bij of na zijn aanhouding, en hij daarop kennelijk is teruggekomen. Het verweer wordt mitsdien verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks19 juni 2013 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 661 hennepplanten,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 1 augustus 2010 tot en met 18
juni 2013september 2011te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem,
tezamen en in vereniging met een anderof anderen en/of alleenin de uitoefening van een beroep of bedrijf
en
in
of omstreeksde periode van
1 augustus 201019 september 2011tot en met 18 juni 2013 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/ofalleen in de uitoefening van een beroep of bedrijf,
opzettelijk heeft geteeld en
/of bereid en/ofbewerkt en
/ofverwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [locatie]
) een groot aantalhennepplanten en
/ofdelen daarvan,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij in
of omstreeksde periode van 1 augustus 2010 tot en met 18
juni 2013september 2011te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit
, in elk geval enig goed, geheel of ten deletoebehorende aan [benadeelde],
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),zulks na
zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/ofdie
/datweg te nemen elektriciteit onder
zijn/hun bereik te hebben gebracht door verbreking van de verzegeling van de hoofdaansluitkast
,en
/ofhet aanbrengen van een illegale elektriciteitsaansluiting buiten de elektriciteitsmeter om en
/ofhet verzwaren van de hoofdzekeringen
en
hij in
of omstreeksde periode van
19 september 2011tot en met 18 juni 2013 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althansalleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit
, in elk geval enig goed, geheel of ten deletoebehorende aan [benadeelde],
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod

en

in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

en

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft beroepsmatig gedurende een periode gedeeltelijk tezamen en in vereniging, hennep geteeld, bewerkt en verwerkt als ook aanwezig gehad, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.
Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte elektriciteit gestolen.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 september 2015, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij]zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 20.221,90.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 20.211,90.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, met inbegrip van de vordering van de benadeelde partij.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen
3 en 11 van de Opiumwet, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

21 (eenentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
7 (zeven) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 20.211,90 (twintigduizend tweehonderdelf euro en negentig cent)

ter zake van materiële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar, mr R.C. Schlingemann en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. M.J. den Haan.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 oktober 2015.