Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van de familiekamer d.d. 13 januari 2015
Het geding
Beoordeling van het incident
- De verbalisant heeft geen letsel waargenomen bij geïntimeerde;
- Indien appellant daadwerkelijk schoppen aan geïntimeerde had uitgedeeld dan had de verbalisant de blauwe plekken moeten waarnemen;
- Appellant heeft naar aanleiding van de aangiften nog altijd geen bericht ontvangen van het openbaar ministerie;
- Appellant staan geen andere middelen ter beschikking dan de blote betwisting van de inhoud van de aangifte van geïntimeerde;
- De rechtbank heeft ten onrechte klakkeloos aangenomen dat hulpverlening noodzakelijk voor [naam kind] te wijten is aan gedragingen van appellant jegens geïntimeerde, hetgeen appellant juist uitdrukkelijk bestrijdt;
- Appellant heeft ex art 1:377a BW een eigen wettelijke verplichting tot omgang met zijn kind. Geïntimeerde wordt in de gelegenheid gesteld appellant te dwarsbomen deze verplichting uit te oefenen;
- In art 3 van Pro het IVRK is tevens beschreven dat het belang van het kind centraal dient te staan bij alle maatregelen die het kind betreffen.
- Uit de rapportages van de politie te Rotterdam volgt dat er al jarenlang een spanningsvolle situatie is tussen partijen;
- Appellant moet op 20 oktober 2014 voorkomen in verband met de mishandeling op 26 april 2014. Er is dus wel degelijk tot vervolging van de man overgegaan;
- De advocaat van geïntimeerde heeft op 20 mei 2014 vastgesteld dat appellant naar geïntimeerde spugende bewegingen maakte en het woord hoer naar haar mimede;
- Geïntimeerde is aangesloten op het Aware systeem van stichting Arosa. Slechts 80 vrouwen uit Rotterdam en omgeving zijn op dit systeem aangesloten;
- Er is sprake van een bijzonder spanningsvolle situatie tussen partijen waar [naam kind] onder lijdt;
- Geïntimeerde heeft geen borderline persoonlijkheidsstoornis;
- Een moeder heeft de plicht om de omgang tussen de vader en een kind mogelijk te maken;