BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VANDE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD
1. In geschil is thans de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.
2. De vrouw verzoekt het hof om de schorsing te bevelen van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking.
3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen.
4. De vrouw meent dat zij belang heeft bij de schorsing van de tenuitvoerlegging en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van de man. De vrouw is verhuisd. Zij heeft een geheim adres. Zij heeft aangeboden de vastgelegde doordeweekse regeling te wijzigen in een voorlopige weekeinderegeling. Vanwege de reisafstand tussen de woonplaats van de minderjarige en de woonplaats van de man is uitvoering van de vastgestelde weekregeling fysiek niet mogelijk. De man weigert mee te werken aan de door de vrouw voorgestelde regeling. De minderjarige zal opnieuw aan de man moeten wennen. De vrouw heeft aangeboden om het vervoer van de minderjarige, eenmaal per twee weken op zaterdag en op zondag, op zich te nemen. Zij biedt aan om de minderjarige de eerste maand na het ingaan van de nieuwe regeling vier opeenvolgende zaterdagen om 10.00 uur te brengen en om 18.00 uur weer op te halen, onder de voorwaarde dat de man de benzinekosten vergoedt. Als de minderjarige goed op die regeling reageert, is de vrouw bereid om het vijfde weekeinde een overnachting bij de man thuis te proberen, mits de man haar toezegt dat hij haar onmiddellijk zal bellen indien de minderjarige niet kan slapen ofwel anderszins van slag raakt, zodat zij hem kan ophalen. Indien de overnachting goed verloopt, zou vervolgens de tweewekelijkse weekeinderegeling in kunnen gaan. Ter zitting heeft de vrouw betoogd dat het onverantwoord is om de minderjarige bij de man te laten zijn, omdat recent bij hem diabetes is vastgesteld. De minderjarige moet vijf keer per dag geprikt worden om zijn bloedsuikerspiegel te meten en daarnaast moet de insuline meerdere keren per dag met een injectie toegediend worden. De man is naar de mening van de vrouw onvoldoende in staat om de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen. De vrouw stelt een zorgregeling voor van eenmaal per twee weken op de zaterdag op een locatie halverwege tussen haar woonplaats en die van de man.
5. De man verweert zich daartegen – kort samengevat – als volgt. De rechtbank heeft de door partijen gewenste duidelijkheid over de zorgregeling verschaft. Het is de vrouw die zich daaraan moet houden en niet met alternatieve voorstellen moet komen. De stapsgewijze opbouw van de contacten is door de rechtbank uitvoerig besproken. De vrouw heeft op geen enkel moment benoemd dat zij zou gaan verhuizen. Dit is door haar achtergehouden in de rechtbankprocedure. De daardoor ontstane problemen met de omgangsregeling zijn aan de vrouw te wijten. Bij jonge kinderen is het van belang dat er vaak contact is. De door de rechtbank vastgestelde regeling acht de man dan ook meer in het belang van de minderjarige en de man zelf dan de door de vrouw voorgestane regeling. Dat de minderjarige opnieuw moet wennen, is naar de mening van de man overtrokken. Hij is telkens erg blij om de man te zien.
Ter zitting heeft de man betoogd dat hij, ondanks de diabetes, wil vasthouden aan de door de rechtbank vastgestelde regeling. Bij het ziekenhuis waar de minderjarige onder behandeling is, heeft de man uitleg ontvangen van een verpleegkundige over wanneer en hoe er geprikt moet worden en hoeveel insuline toegediend moet worden. Hij kan dat prima zelf.
6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC5012):
( i) de verzoeker moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging;
(ii) bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de door hem verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen, en
(iii) bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.
7. Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing als hier bedoeld geldt dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring. Dit kan anders zijn indien de bestreden beschikking, waarvan de verzoeker beroep heeft ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
8. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft in het algemeen tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen deze - althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg - toekomt.
9. Het hof stelt vast dat sinds 25 oktober 2014 geen uitvoering meer wordt gegeven aan de door de rechtbank vastgestelde regeling. De vrouw, die samen met de man het gezag heeft, is met de minderjarige verhuisd naar een voor de man onbekend adres en zij heeft de minderjarige geplaatst op een voor de man onbekende basisschool, zonder de man daarover in te lichten en zonder zijn toestemming. Daarbij is de vrouw volledig voorbij gegaan aan haar wettelijke verplichtingen. Ook heeft zij geen oog gehad voor de gevolgen die de verhuizing heeft voor de contacten van de man met de minderjarige. Het hof ziet zich dan ook voor het voldongen feit geplaatst, dat de huidige door de rechtbank vastgestelde zorgregeling praktisch niet meer uitvoerbaar is, gelet op de reisafstand tussen de woonplaats van de man en de vrouw en de doordeweekse schoolgang van de minderjarige. Derhalve ziet het hof aanleiding om de bij de bestreden beschikking uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen en een voorlopige zorgregeling vast te stellen totdat in hoger beroep is beslist op de hoofdzaak met zaaknummer 200.159.446/01.
10. Anders dan de vrouw, ziet het hof geen aanleiding om de zorgregeling te schorsen dan wel te beperken tot de door haar voorgestane regeling. Het hof is van oordeel dat de contacten tussen de man en de minderjarige op zeer korte termijn hervat moeten worden. Aangezien de minderjarige doordeweeks naar school gaat, acht het hof het met de ouders van belang dat de zorgregeling in het weekend plaatsvindt. Omdat de minderjarige de man al enige tijd niet heeft gezien, zal een opbouwregeling worden vastgesteld. Het hof zal bepalen dat de eerste drie contacten zullen plaatsvinden in aanwezigheid van de vrouw, zodat zij de man zo nodig kan helpen en begeleiden bij het prikken van de minderjarige en het toedienen van de insuline. De contacten dienen bij de man thuis plaats te vinden. Het hof ziet geen enkele aanleiding om die contacten plaats te laten vinden op neutraal terrein. Na die drie contacten verwacht het hof dat de man in ieder geval zelfstandig in staat zal zijn de minderjarige te prikken en insuline toe te dienen, zodat de vrouw na die drie contacten niet langer bij die contacten aanwezig zal zijn. Na zes contacten zal het hof de zorgregeling uitbreiden naar een overnachting.
11. Gelet op het vorenstaande, stelt het hof de navolgende zorgregeling vast, totdat in de hoofdzaak op het hoger beroep is beslist:
de minderjarige zal bij de man zijn:
- van zaterdag 7 maart 2015 tot en met zaterdag 21 maart 2015 iedere zaterdag van 10.00 uur tot 14.00 uur bij de man thuis, in aanwezigheid van de vrouw;
- van zaterdag 28 maart 2015 tot en met zaterdag 11 april 2015 iedere zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man thuis,
- vanaf zaterdag 18 april 2015 ieder weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur.
12. Nu de vrouw degene is die ervoor heeft gezorgd dat de contacten tussen de man en de minderjarige beperkt worden en de haal- en brengkosten aanzienlijk zijn gestegen, is het hof van oordeel dat zij, in ieder geval gedurende de periode tot op de hoofdzaak is beslist, zorg moet dragen voor het halen en brengen van de minderjarige. De kosten daarvan komen voor haar rekening.
13. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING
schorst de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 13 augustus 2014 van de rechtbank Den Haag totdat in hoger beroep is beslist op de hoofdzaak met zaaknummer 200.1859.446/01;
stelt, totdat in de hoofdzaak op het hoger beroep is beslist, een voorlopige zorgregeling vast tussen de man en de minderjarige, inhoudende dat de minderjarige bij de man verblijft:
- van zaterdag 7 maart 2015 tot en met zaterdag 21 maart 2015 iedere zaterdag van 10.00 uur tot 14.00 uur bij de man thuis, in aanwezigheid van de vrouw;
- van zaterdag 28 maart 2015 tot en met zaterdag 11 april 2015 iedere zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man thuis,
- vanaf zaterdag 18 april 2015 ieder weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur.
bepaalt dat de kosten van het halen en brengen van de minderjarige voor rekening van de vrouw komen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de behandeling van het hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.159.446/01 zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum, waarvoor partijen een afzonderlijke oproep zullen ontvangen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Kamminga en Sierksma, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2015.