ECLI:NL:GHDHA:2015:509

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2015
Publicatiedatum
10 maart 2015
Zaaknummer
200.161.308/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Mink
  • van Nievelt
  • Van Wijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:258 BWArt. 1:261 BWArt. 800 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige ondanks verweer moeder

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind heeft verleend voor zes maanden. De moeder betwistte de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelde dat de minderjarige op vrijwillige basis bij de grootmoeder moederszijde geplaatst kon worden. Zij voerde aan dat het gevaar van huiselijk geweld afgewend kon worden door opname van haarzelf bij Arosa, een hulpverleningsinstelling.

De gecertificeerde instelling en de vader verweerden zich tegen de vernietiging van de beschikking. Zij stelden dat de uithuisplaatsing dringend en noodzakelijk is vanwege de ernstige persoonlijkheidsproblematiek van de moeder, haar onvoorspelbare gedrag, het ontbreken van zelfstandige woonruimte en de onveilige situatie voor het kind. De moeder was vanwege wangedrag verwijderd uit Arosa en toont geen daadwerkelijke instemming met de vrijwillige plaatsing.

Het hof stelde vast dat de moeder niet de regie kan dragen over een vrijwillige plaatsing en onvoldoende instemt met het beleid van de gecertificeerde instelling. Het verzoek van de moeder om een informant te horen werd afgewezen omdat deze geen relevante informatie kon verschaffen. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 11 maart 2015
Zaaknummer : 200.161.308/01
Rekestnummer rechtbank : JE RK 14-3465
Zaaknummer rechtbank : C/10/462379
[appellante],
woonplaats kiezende te [plaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te Rotterdam,
thans: Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te Rotterdam,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.E.P. Somers te Rotterdam.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 16 december 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 november 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.
De vader heeft op 15 januari 2015 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de moeder:
 op 30 januari 2015 een brief van 29 januari 2015 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;
van de zijde van de vader:
 op 4 februari 2015 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;
van de gecertificeerde instelling:
 op 11 februari 2015 een faxbericht met bijlagen.
De raad heeft bij brief van 31 december 2014 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
De zaak is op 18 februari 2015 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
 de moeder, bijgestaan door mevrouw mr. M.S. Krol (waarnemer namens de advocaat van de moeder);
 mevrouw [X] (jeugdbeschermer) en mevrouw[Y] namens de gecertificeerde instelling;
 de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, een machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg voor de duur van zes maanden, met ingang van 17 november 2014 tot 17 mei 2015. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat de moeder en de vader de ouders zijn van [minderjarige], geboren [in] 2014 te[geboorteplaats] (hierna te noemen de minderjarige). De moeder heeft het gezag over de minderjarige.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 17 november 2014 tot 17 mei 2015 in een vorm van pleegzorg.
2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en als volgt te beschikken:
 de door de rechtbank uitgesproken machtiging uithuisplaatsing met terugwerkende kracht (vanaf datum beschikking) onjuist te achten;
 de machtiging uithuisplaatsing per direct op te heffen;
 [mevrouw A], werkzaam bij Arosa, ter zitting op te roepen en te horen als informant.
3. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep ongegrond te verklaren althans af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van het hoger beroep.
5. De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. De gronden voor verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing zijn niet aanwezig. De minderjarige is nooit getuige geweest van huiselijk geweld, aangezien hij op die momenten bij de grootmoeder moederszijde verbleef. Het gevaar – huiselijk geweld van de vader jegens de moeder – kon door een opname van de moeder bij Arosa worden afgewend. Die mogelijkheid bestond ook, zoals blijkt uit de brief van [mevrouw A], hulpverlener van Arosa. Na contact met de gecertificeerde instelling heeft Arosa te kennen gegeven dat het aanbod in die brief met mogelijkheid van opname van de moeder en de minderjarige werd ingetrokken. De moeder meent dat de gecertificeerde instelling Arosa onjuist heeft voorgelicht, waardoor Arosa ten onrechte het aanbod in voormelde brief heeft ingetrokken. Voor het beëindigen van de behandeling bij De Waag had de moeder wel degelijk een gerechtvaardigd argument. Als Arosa daarvan op de hoogte was geweest, dan had de moeder met de minderjarige bij Arosa kunnen verblijven. Door de expertise van Arosa en door de ondertoezichtstelling zouden de directe bedreigingen genoegzaam zijn afgewend, dan wel onder deskundige begeleiding gemonitord zijn. De uithuisplaatsing was in dat geval niet noodzakelijk, aldus de moeder. Voor het geval het hof anders oordeelt, stemt de moeder in met een vrijwillige plaatsing van de minderjarige bij de grootmoeder moederszijde.
6. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en betoogt - kort samengevat - dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige dringend en noodzakelijk is. Beide ouders beschikken niet over zelfstandige woonruimte. Er is veel strijd tussen de ouders onderling en de moeder vertoont zeer onvoorspelbaar gedrag. De minderjarige moet, gelet op zijn veiligheid, uit huis geplaatst blijven.
7. De vader verweert zich eveneens en wel als volgt. Arosa was, na inlichtingen van de gecertificeerde instelling, de mening toegedaan dat Arosa niet de juiste plaats is voor de moeder, omdat zij vanwege haar (heftige) persoonlijkheidsproblematiek een intensievere behandeling nodig heeft dan Arosa de moeder kan bieden. Overigens acht de vader alles met betrekking tot Arosa niet langer relevant, aangezien de moeder niet meer bij Arosa verblijft. De moeder is in haar beroepschrift niet transparant over haar woon- en/of verblijfplaats. Onduidelijk is dan ook of zij de mogelijkheden heeft om de minderjarige bij haar te laten wonen. Tijdens de zitting van 7 januari 2015 bij de rechtbank Rotterdam met betrekking tot een verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke omgangsaanwijzing, heeft de gecertificeerde instelling verklaard dat de moeder sinds december 2014 niet meer bij Arosa verblijft, omdat dit vanwege wangedrag niet langer mogelijk bleek. Arosa acht intensieve en professionele behandeling van de moeder noodzakelijk. De moeder heeft tijdens die zitting erkend geen behandeling meer te hebben genoten. De rechtbank heeft de moeder aangeraden na de zitting aan de gecertificeerde instelling haar adres kenbaar te maken. Het is de vader niet bekend of dit is gebeurd. Sinds 2010 heeft de moeder geen stabiele woonsituatie gekend. Ook de persoonlijkheidsproblematiek van de moeder ligt ten grondslag aan de uithuisplaatsing. Die maakt het niet verantwoord om de minderjarige bij de moeder te laten wonen. Volgens de vader is duidelijk dat de moeder niet instemt met een vrijwillige plaatsing bij de grootmoeder moederszijde, gelet op haar verweer dat zij de minderjarige zelf wil opvoeden. De vader ontkent dat hij de moeder op 26 oktober 2014 heeft verwond. Hun relatie kenmerkte zich door veel ruzies en door het over en weer doen van aangiftes van huiselijk geweld. De vader is nimmer vervolgd voor de door de moeder ingediende aangiftes. Op 26 oktober 2014 heeft de vader de affectieve relatie beëindigd. Volgens de vader was de aangifte van de moeder op 9 november 2014 een wraakactie van de moeder omdat het haar niet aanstaat dat de vader niet of nauwelijks reageert op haar berichten. De vader vreest dat de moeder in de toekomst geen betrokkenheid meer zal tonen ten aanzien van de minderjarige, aangezien zij deze ook niet toont bij haar twee andere kinderen.
8. Het wettelijk kader zoals dit gold tot 1 januari 2015 is nog van toepassing, nu het inleidend verzoekschrift van de gecertificeerde instelling is ingediend voor die datum. Het hof stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verleend indien de gronden zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud), bestaan. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of in dit geval de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
9. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter op juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend. Het hof neemt de gronden over waarop de kinderrechter heeft geoordeeld en beslist en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden. Integendeel, na de bestreden beschikking is de situatie van de moeder verslechterd. Bij de moeder is sprake van een ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Zowel vanuit De Waag als Arosa is te kennen gegeven dat de moeder dringend intensieve behandeling nodig heeft. De moeder ziet niet in dat zij persoonlijkheidsproblematiek heeft en weigert haar medewerking aan de voor haar noodzakelijke behandelingen te verlenen. Zij beschikt niet over zelfstandige woonruimte. Aanvankelijk verbleef zij bij Arosa, maar daar is zij vanwege wangedrag verwijderd. Er is dan ook geen enkel zicht op de woon- en leefsituatie van de moeder. De grootmoeder moederszijde fungeert als pleegmoeder voor de minderjarige en twee oudere kinderen van de moeder. Van die oudere kinderen is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag. In de periode voorafgaand aan de mondelinge behandeling (18 februari 2015) heeft de moeder de grootmoeder moederszijde veelvuldig telefonisch lastiggevallen. De moeder heeft vervolgens een melding gedaan bij de politie, naar aanleiding waarvan de politie bij de grootmoeder moederszijde langs is geweest. Dit heeft een grote impact gehad op de oudste kinderen van de moeder. De moeder lijkt niet in te zien dat zij daarmee de belangen van haar kinderen, ook die van de minderjarige, schaadt.
Vrijwillige uithuisplaatsing
10. Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde van artikel 1:258 lid 3 BW Pro (oud), uithuisplaatsing van een minderjarige uitsluitend geschiedt krachtens artikel 1:261 BW Pro (oud), derhalve niet zonder een door de kinderrechter aan de gezinsvoogdij-instelling verleende machtiging als in dat artikel voorgeschreven, behoudens in geval van een vrijwillige uithuisplaatsing door de met gezag belaste ouder, zonder bezwaar van die instelling. Voor een vrijwillige uithuisplaatsing is noodzakelijk dat de gezag dragende ouder niet alleen instemt met de uithuisplaatsing, maar ook met de wijze van uitvoering en het uitgezette beleid.
11. Het hof heeft er weinig vertrouwen in dat de door de moeder gestelde instemming met de vrijwillige uithuisplaatsing van de minderjarige bij de grootmoeder moederszijde voor een langere duur zal gelden. Immers, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de moeder betoogd dat de minderjarige weer bij haar moet komen wonen, hetgeen haaks staat op een vrijwillige uithuisplaatsing. Daarnaast heeft de moeder zeer recent de grootmoeder moederszijde – waar de minderjarige verblijft – telefonisch lastig gevallen en een melding gedaan bij de politie. Dit ondersteunt niet de stelling van de moeder dat zij instemt met de plaatsing van de minderjarige bij de grootmoeder moederszijde. Verder is het hof van oordeel dat de moeder niet de regie over de vrijwillige plaatsing kan dragen, gelet op haar ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Bovendien is onvoldoende gebleken dat de moeder instemt met de wijze waarop de gecertificeerde instelling de uithuisplaatsing uitvoert en het beleid van de instelling. Zo laat de moeder zich negatief uit over de positie van de vader, terwijl hij een intensieve contactregeling met de minderjarige heeft. Alles in ogenschouw genomen, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een daadwerkelijke instemming van de moeder met de vrijwillige plaatsing van de minderjarige bij de grootmoeder moederszijde.
Oproepen informant
12. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 800 lid 2 Rv Pro kan de rechter degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, oproepen. In het beroepschrift heeft de moeder verzocht om [mevrouw A] op te roepen als informant. Het hof heeft die oproep voorafgaand aan de mondelinge behandeling achterwege gelaten, aangezien genoemde informant naar het oordeel van het hof geen relevante verklaring kan afleggen met betrekking tot de vraag of wordt voldaan aan de gronden van de uithuisplaatsing. Het hof heeft zich daarbij gebaseerd op de stukken die door partijen voorafgaand aan de zitting zijn overgelegd. Uit die stukken blijkt genoegzaam hoe de gang van zaken is geweest met betrekking tot het verblijf van de moeder bij Arosa. Nu de moeder niet meer verblijft bij Arosa – zij is daar onweersproken vanwege wangedrag verwijderd - acht het hof het horen van [mevrouw A] als informant niet opportuun.
Proceskosten
13. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Het hof ziet geen gronden om de moeder te veroordelen in de kosten van het hoger beroep van de vader en zal het daartoe strekkende verzoek afwijzen.
14. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, van Nievelt en Van Wijk, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2015.