AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige in pleegzorg
De ouders zijn in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van hun minderjarige kind, geboren in 2012, in een pleegzorgsituatie. Zij betogen dat de gecertificeerde instelling onvoldoende heeft ingezet op terugplaatsing en verzoeken om benoeming van een deskundige op grond van artikel 810a lid 2 Rv. De gecertificeerde instelling verzet zich tegen deze verzoeken en wil de bestreden beschikking bekrachtigd zien.
Het hof stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verlengd indien de gronden daarvoor nog steeds bestaan. Het hof neemt de feiten en overwegingen van de kinderrechter over, waaronder de zorgelijke situatie bij de ouders, het rigide gedachtegoed van de vader, het ontbreken van samenwerking met hulpverlening en het bedreigend gedrag van de vader richting pleegouders. De minderjarige is inmiddels gehecht aan het pleeggezin en er is geen zicht op terugplaatsing of netwerkplaatsing.
Het hof overweegt dat een hernieuwd deskundigenonderzoek niet in het belang van de minderjarige is, mede vanwege de negatieve houding van de ouders en het feit dat een positief onderzoek waarschijnlijk niet tot terugkeer zal leiden. Daarom wordt het verzoek tot benoeming van een deskundige afgewezen en wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 7 september 2015.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd en het verzoek tot benoeming van een deskundige wordt afgewezen.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 11 maart 2015
Zaaknummer : 200.161.215/01
Rekestnummer rechtbank : JE RK 14-2620
Zaaknummer rechtbank : C/10/457610
1. [appellante], en
2. [appellant],
beiden wonende te [woonplaats],
verzoekers in hoger beroep,
hierna te noemen: de ouders,
advocaat: mr. E.A.M. Ramakers te Hoensbroek,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te Rotterdam,
thans: Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te Rotterdam,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Als belanghebbende zijn aangemerkt:
de pleegouders,
wonende op een bij de gecertificeerde instelling bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.
In verband met het bepaalde in artikel 810 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De ouders zijn op 12 december 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 september 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.
De gecertificeerde instelling heeft op 28 januari 2015 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof is voorts van de zijde van de ouders op 10 februari 2015 een brief van diezelfde datum met bijlagen ingekomen.
De raad heeft bij brief van 14 januari 2014 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
De zaak is op 18 februari 2015 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door de advocaat van de ouders en mevrouw[X] (grootmoeder moederszijde);
mevrouw [Y] (jeugdbeschermer) en mevrouw [Z] namens de gecertificeerde instelling.
De pleegouders en de vader zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking zijn de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg verlengd tot 7 september 2015. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat de ouders het gezag hebben over de minderjarige [minderjarige], geboren[in] 2012 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige).
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de verlenging van de duur van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode tot 7 september 2015 in een vorm van pleegzorg.
2. De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de ondertoezichtstelling en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en het verzoek van de ouders tot benoeming van een deskundige ex art. 810a lid 2 Rv toe te wijzen.
3. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen alsmede het verzoek tot benoeming van een deskundige ex art. 810a lid 2 Rv af te wijzen.
Uithuisplaatsing
4. De ouders voeren het volgende aan. Ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige verlengd. Bij beschikking van 22 januari 2014 van dit hof is overwogen dat van de gecertificeerde instelling verwacht mag worden, met het oog op het uiteindelijke toekomstperspectief van de minderjarige, dat de gecertificeerde instelling gedurende de geldigheidsduur van de lopende machtiging uithuisplaatsing (tot 6 september 2014) (opnieuw) de eventuele mogelijkheid van een terug- of netwerkplaatsing onderzoekt. Naar de mening van de ouders heeft de gecertificeerde instelling van meet af aan de uitspraak van het hof naast zich neergelegd en niet ingezet op intensieve hulp en steun aan het oorspronkelijke gezin en de overige familie, teneinde de mogelijkheid van een terug- of netwerkplaatsing te onderzoeken. Het verzoek van de ouders om uitbreiding van de zeer summiere omgangsregeling (één uur per maand) is afgewezen bij brief van 11 februari 2014. Deze afwijzing achten de ouders in strijd met de opdracht van het hof. Wil een onderzoek effectief zijn, dan zal er substantiële omgang moeten plaatsvinden en die zal door een onafhankelijke deskundige geobserveerd moeten worden. In voormelde brief van 11 februari 2014 heeft de gecertificeerde instelling al te kennen gegeven niet voornemens te zijn de minderjarige het komende jaar thuis te gaan plaatsen. De gecertificeerde instelling beargumenteert de afwijzing tot uitbreiding van de omgang vanwege een stagnatie in het contact tussen de minderjarige en de moeder, en de problematische voorgeschiedenis. Uit een e-mail van 20 februari 2014 van de gezinsvoogd blijkt dat het contact zichtbaar is verbeterd, zodat dit argument aantoonbaar onjuist is. Ook de voorgeschiedenis kan geen rol spelen, want die was er al ten tijde van de uitspraak van het hof. Na een omgangsmoment eind februari 2014 tussen de ouders en de minderjarige besluit de gecertificeerde instelling de omgang tussen de vader en de minderjarige te beëindigen. Dit was de derde keer dat de vader contact had sinds juni 2012. Volgens de vader heeft hij zijn gezin slechts willen omarmen en heeft de gezinsvoogd er een panieksituatie van gemaakt toen de vader de minderjarige niet onmiddellijk op haar eerste verzoek wilde loslaten. Ook de omgang met de moeder wordt, ondanks de geconstateerde verbeteringen, niet uitgebreid. Vervolgens heeft de moeder de gecertificeerde instelling verzocht om haar concrete doelen te geven waaraan ze moet voldoen om de minderjarige weer thuis te krijgen. De gecertificeerde instelling reageert daar niet op. Daarom verzoekt de moeder om een gesprek in het bijzijn van haar advocaat. Dit gesprek vindt plaats medio mei 2014 en daarin wordt meegedeeld dat vanuit de gecertificeerde instelling geen actie zal worden ondernomen om een thuisplaatsing dan wel een netwerkplaatsing te realiseren. In plaats daarvan kiest de gecertificeerde instelling voor een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel door de raad. Op initiatief van de ouders is er een Eigen Kracht Conferentie georganiseerd. De gecertificeerde instelling weigert daaraan haar medewerking. Uit de stukken van de Eigen Kracht Conferentie blijkt dat sprake is van een uitgebreid en warm netwerk om de ouders te ondersteunen, daar waar dat nodig zou zijn bij een thuisplaatsing van de minderjarige. Ook een netwerkplaatsing is mogelijk bij de broer van de moeder.
5. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen als volgt. Ten tijde van de zitting bij dit hof die resulteerde in de uitspraak van 22 januari 2014 was sprake van een prille samenwerking met de vader en de vader zou ook weer contact krijgen met de minderjarige. Die prille samenwerking is van zeer korte duur geweest. Tijdens de begeleide omgang in februari 2014 heeft de vader de minderjarige niet los willen laten. Het is zowel de moeder als de grootmoeder moederszijde niet gelukt om de vader op andere gedachten te brengen. De beveiliging van het kantoor van de gecertificeerde instelling heeft de vader moeten dwingen om het kantoor te verlaten. Na dit incident heeft de vader vrijwel direct zijn behandeling bij De Waag stopgezet. Dit leidde ertoe dat de gecertificeerde instelling zich genoodzaakt zag om de contacten tussen de vader en de minderjarige te beëindigen. Sindsdien verzetten de ouders zich tegen de samenwerking met de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling vindt het opvallend dat de ouders niet in beroep zijn gegaan van de afwijzingen van hun verzoeken tot vervallenverklaring van de omgangsaanwijzingen. Voor de gecertificeerde instelling lijkt sprake van een verkapt appel. De gezinsvoogd heeft te kennen gegeven niet mee te werken aan de Eigen Kracht Conferentie omdat het toekomstperspectief van de minderjarige niet langer bij de ouders ligt. De ouders zijn onvoldoende in staat om de minderjarige de veiligheid en bescherming te bieden die zij nodig heeft. Met name de vader is zeer dwingend en dwangmatig in zijn handelen en lijkt daardoor geen oog te hebben voor de veiligheid van de minderjarige. De ouders hebben geen vertrouwen in de hulpverlening. De vader beschrijft de hulpverlening als een corrupte organisatie die kinderen misbruikt en gijzelt, waaronder ook zijn dochter. Het is niet gelukt om een samenwerkingsrelatie met de vader op te bouwen. De vader meent voorts dat De Waag geen onafhankelijke instelling is, die net als de gecertificeerde instelling niet aan waarheidsvinding doet. De moeder steunt de vader in zijn handelen richting de hulpverlening en is het met de gedachtegang van de vader eens. De gecertificeerde instelling maakt zich enorm veel zorgen over de veiligheid van de minderjarige wanneer zij bij de ouders geplaatst zou worden. De ervaring leert dat de vader geen enkele vorm van hulpverlening zal accepteren zodat er geen zicht zal zijn op de ontwikkeling en veiligheid van de minderjarige. De raad heeft in september 2014 een onderzoek gedaan en op basis daarvan de rechtbank Utrecht verzocht de moeder en de vader te ontheffen, subsidiair gedwongen te ontheffen van het gezag over de minderjarige. De zitting bij de rechtbank Utrecht is aangehouden in afwachting van de uitspraak in de onderhavige zaak.
6. Het wettelijk kader zoals dit gold tot 1 januari 2015 is nog van toepassing, nu het inleidend verzoekschrift van de gecertificeerde instelling is ingediend voor die datum. Het hof stelt voorop dat de duur van een machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verlengd indien de gronden zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek nog steeds bestaan. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of in dit geval de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
7. Het hof is van oordeel dat de kinderrechter op de juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd. Het hof neemt de gronden waarop de kinderrechter heeft geoordeeld en beslist over en maakt deze tot de zijne. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. De minderjarige is al bijna drie jaren uit huis geplaatst. Op het moment van de uithuisplaatsing was sprake van een zorgelijke situatie. De vader heeft de minderjarige tijdens de bevalling de nodige medische zorg onthouden. Hij hanteert een zeer rigide gedachtegoed. De moeder volgt de vader daarin en is niet in staat om voor haar eigen belang en dat van de minderjarige op te komen. Na de uithuisplaatsing van de minderjarige is de vader de strijd aangegaan met de hulpverleners. Daarnaast heeft hij gepoogd de woning van het - destijds - pleeggezin van de minderjarige binnen te dringen. Hij heeft zich daarbij bedreigend naar de pleegouders uitgelaten. In januari 2014 leek sprake te zijn van positieve prille ontwikkelingen bij de ouders. Die ontwikkelingen zijn echter volledig teniet gedaan. Naar aanleiding van de uitspraak op 22 januari 2014 van dit hof zijn kort nadien de contacten tussen de vader en de minderjarige hervat. Die contacten zijn niet goed verlopen. Hoewel uit het betoog van de ouders lijkt te volgen dat het door de gecertificeerde instelling aangehaalde incident tijdens het begeleide omgangsmoment tussen de vader en de minderjarige slechts een lange stevige omhelzing betrof, blijkt uit het standpunt van de gecertificeerde instelling het tegendeel. De beveiliging moest ingeschakeld worden om de vader ertoe te bewegen de minderjarige los te laten, hetgeen zeer traumatisch was voor de minderjarige. Daarnaast heeft de vader de voor hem noodzakelijk bevonden hulpverlening bij De Waag beëindigd. De vader weigert elke vorm van hulpverlening en laat zich zeer negatief uit over de hulpverlening en de pleegouders. In de reactie van de ouders op het rapport van de raad betreffende de ontheffing van het gezag van de ouders hebben zij zich zeer negatief en kwetsend uitgelaten over de hulpverleners en de pleegouders. In het verleden is de vader strafrechtelijk veroordeeld voor zijn uitlatingen op internet, maar dit heeft de vader kennelijk niet weerhouden van het hervatten van zijn acties op internet. Zo is ter zitting gebleken dat de vader recent een website en Twitter account onder de naam van en met foto van de minderjarige heeft opgericht. Ook daarop laat hij zich onder de naam van de minderjarige zeer negatief en kwetsend uit over de pleegouders, de raad en de gecertificeerde instelling. Zo spreekt hij onder meer over ontvoering van de minderjarige, misbruik van de minderjarige, etc. Ook staat op de website wederom de naam van de jeugdbeschermer van het gezin vermeld. De vader gaat hiermee totaal voorbij aan de belangen van de minderjarige en lijkt zich niet bewust van de gevolgen die dit thans en in de toekomst voor haar meebrengt. Ook de moeder is niet in staat de vader te begrenzen. Zij geeft aan dat ze zijn handelingen begrijpt omdat hij teneinde raad is. De ouders lijken voorbij te gaan aan de voorwaarden die voor terugkeer van de minderjarige samenwerking met de hulpverlening vereist zijn. Zolang zij dat niet inzien, kan de veiligheid van de minderjarige niet gegarandeerd worden. Aangezien het thans goed gaat met de minderjarige in het pleeggezin en zij aldaar is gehecht, en er verder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, op korte termijn geen enkel zicht is op een situatie waarin de gronden voor een uithuisplaatsing niet meer aanwezig zijn, is het voorstelbaar dat het perspectief van de minderjarige inmiddels daar zal zijn gelegen. Een netwerkplaatsing is dan ook niet meer aan de orde.
Onderzoek ex artikel 810a Rv
8. De ouders achten het oordeel van de kinderrechter, dat geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen, mede gelet op de uitspraak van 5 september 2014 van de Hoge Raad, onbegrijpelijk. De ouders hebben verzocht een deskundige te benoemen teneinde de pedagogische en affectieve vaardigheden van de vader en de moeder in relatie tot de minderjarige in kaart te brengen en aldus de mogelijkheid van een thuisplaatsing te onderzoeken. Namens de moeder is in dat verband aangevoerd dat de twee door haar geraadpleegde deskundigen de bevindingen in het rapport van 16 april 2013 van het Ambulatorium gemotiveerd in twijfel trekken. Volgens die deskundigen is de moeder prima in staat om voor de minderjarige te zorgen en is het onderzoek van het Ambulatorium gedateerd. Namens de vader is betoogd dat zijn pedagogische en affectieve vaardigheden in relatie tot de minderjarige nog nooit in kaart zijn gebracht.
9. De gecertificeerde instelling voert daartegen gemotiveerd verweer, stellende dat de vader heeft geweigerd mee te werken aan het in 2013 aangevraagde onderzoek bij het Ambulatorium in Zetten. Voor de start van het onderzoek aldaar van de moeder, is zij een eigen onderzoek gestart. De rechtbank achtte dit onderzoek destijds onvoldoende. Een onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv schiet zijn doel voorbij. Naast de onderzoeken van de ouders, zal er ook gekeken moeten worden naar de gehechtheid van de minderjarige. Zij zit al vanaf dat zij zes weken oud is in een pleeggezin.
10. Het hof overweegt als volgt. Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
11. Het hof is van oordeel dat het belang van de minderjarige zich verzet tegen een hernieuwd onderzoek, gelet op de uitlatingen van de ouders in hun reactie op het rapport van de raad inzake de ontheffing van de ouders van het gezag over de minderjarige en uitlatingen van de vader op het internet. Het hof ziet niet in dat een hernieuwd onderzoek kan leiden tot een andere beslissing van de zaak. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat, als het al zo zou zijn dat de moeder in staat is voor de minderjarige te zorgen, dit onverlet laat dat de moeder met de vader samenwoont, die, zoals reeds is overwogen, de belangen van de minderjarige niet voor ogen kan houden. De vader heeft eerder zijn medewerking aan het onderzoek door het Ambulatorium geweigerd. Wat ook de uitkomst van een nieuw onderzoek zou zijn, gelet op de tijd die dit in beslag zal nemen en de reeds verstreken tijd, waarin de minderjarige zich heeft gehecht in het pleeggezin en waarin de vader een onderzoeksmogelijkheid voorbij heeft laten gaan, zal een eventuele (enigszins) positieve uitkomst van onderzoeksresultaten naar alle waarschijnlijkheid niet meer tot een terugkeer van de minderjarige naar de ouders kunnen leiden. Daarom acht het hof een nieuw onderzoek voor de minderjarige te belastend en niet in haar belang.
12. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders in hoger beroep verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, van Nievelt en van Wijk, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2015.