ECLI:NL:GHDHA:2015:511

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2015
Publicatiedatum
10 maart 2015
Zaaknummer
200.158.461/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Mink
  • Sutorius-van Hees
  • Kleykamp-van der Ben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 lid 2 RvArt. 1:401 BWArt. 2.6.4 procesreglement gerechtshoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging voorlopige voorzieningen in echtscheidingsprocedure

De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure. Zij verzocht het hof om de vastgestelde kinderalimentatie en partneralimentatie te wijzigen op grond van gewijzigde omstandigheden, waaronder minder woonlasten van de man en gewijzigde zorgregeling voor de minderjarige.

Het hof overweegt dat wijziging van voorlopige voorzieningen slechts mogelijk is indien omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de voorziening niet in stand kan blijven. Hoewel de man minder woonlasten had dan eerder aangenomen, was hij gebonden aan een betalingsregeling en blijft de voorlopige aard van de voorzieningen van belang. Daarnaast is het niet aan het hof om zorgregelinggeschillen in deze fase te beoordelen.

De verzoeken tot wijziging van kinderalimentatie en vaststelling van partneralimentatie voldoen niet aan de criteria voor wijziging. Het hof wijst het verzoek af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 11 maart 2015
Zaaknummer : 200.158.461/02
Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-4900
Zaaknummer rechtbank : C/10/426996
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.J.W. Govers te Den Haag,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. O. Huisman te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 31 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 augustus 2014 van de rechtbank Rotterdam betreffende de echtscheiding, hierna te noemen: de hoofdzaak.
Op 19 januari 2015 heeft de vrouw vervolgens een verzoekschrift strekkende tot wijziging en aanvulling van de beschikking tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingediend.
De zaak is op 27 februari 2015 mondeling behandeld, doch uitsluitend wat betreft het verzoek tot wijziging en aanvulling van de voorlopige voorzieningen.
Ter zitting waren aanwezig:
 de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
 de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

VASTSTAANDE FEITEN

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 17 juli 2013 van de rechtbank Rotterdam is, voor zover van belang, bepaald dat dat de man met ingang van 3 juni 2013 aan de vrouw zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [minderjarige], geboren [in]2011 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige) € 80,- per maand, voor wat betreft de na 3 juni 2013 te verschijnen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het verzoek van de vrouw tot een bijdrage in haar levensonderhoud is afgewezen.
Bij beschikking van 1 augustus 2014 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, onder meer, bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in de kosten en verzorging van de opvoeding van de minderjarige een bedrag van € 28,25 per maand zal betalen.
Bij beschikking van 26 september 2014 van de rechtbank Rotterdam zijn afgewezen de verzoeken van de vrouw, strekkende tot wijziging van de voorlopige voorziening voor wat betreft de kinderalimentatie en tot vaststelling van een voorlopige partneralimentatie.
Op 24 november 2014 is de beschikking van echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1. In geschil is het verzoek tot wijziging van de in het kader van de echtscheidingsprocedure bij wege van voorlopige voorziening vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: de kinderalimentatie) en het verzoek van de vrouw tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.
2. De vrouw verzoekt het hof, kosten rechtens en voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
 de bestreden beschikking aangaande de voorlopige voorzieningen te wijzigen, in dier voege dat de daarin vastgestelde voorlopige kinderalimentatie wordt gewijzigd, in die zin dat de man aan de vrouw met ingang van 3 juni 2013 tot 1 juli 2014 een bedrag van € 107,29 per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen, althans voor die periode een bedrag aan voorlopige kinderalimentatie hoger dan € 80,- per maand vast te stellen, zoals het hof in goede justitie juist en redelijk acht;
 de bestreden beschikking aangaande de voorlopige voorzieningen te wijzigen, in dier voege dat de daarin vastgestelde voorlopige kinderalimentatie wordt gewijzigd, in die zin dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2014 tot 24 november 2014 een bedrag ad € 171,15 per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen, althans voor die periode een bedrag aan voorlopige kinderalimentatie hoger dan € 80,- per maand vast te stellen zoals het hof in goede justitie juist en redelijk acht;
 te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2013 tot 24 november 2014 als voorlopige partneralimentatie dient te betalen het bedrag van bruto € 201,98 per maand, althans voor die periode een bedrag aan voorlopige partneralimentatie vast te stellen zoals het hof in goede justitie juist en redelijk acht;
 indien het hof zal overgaan tot het maken van alimentatie- en/of draagkrachtberekeningen, deze berekeningen vast te hechten aan de door het hof te wijzen beschikking.
3. De vrouw betoogt dat de omstandigheden na de beschikking van 26 september 2014 opnieuw zijn gewijzigd. De vrouw voert vier wijzigingen aan die volgens haar de door haar verzochte wijziging van de getroffen voorlopige voorziening (de kinderalimentatie) en vaststelling van de voorlopige voorziening van partneralimentatie rechtvaardigen. Dit zijn de volgende wijzigingen:
Bij de vaststelling van de draagkracht van de man is de rechtbank er van uitgegaan dat de man ter zake de achterstanden van de hypothecaire geldlening en premie levensverzekering maandelijks een bedrag ad € 450,- aan Aegon voldeed. De man heeft slechts één maal het bedrag van € 450,- voldaan sinds 26 september 2014. De volledige restschuld van de verkoop van de echtelijke woning, daaronder begrepen de achterstallige premie levensverzekering, blijkt nu te zijn voldaan door de NHG. Dit heeft volgens de vrouw tot gevolg dat de man in de periode 1 augustus 2013 tot 1 oktober 2014 (datum feitelijke levering echtelijke woning) weinig tot geen woonlasten heeft gehad en dat hij die woonlasten ook niet met terugwerkende kracht als schuld aan de bank hoeft te voldoen.
In de echtscheidingsprocedure heeft de rechtbank bepaald dat de creditcardschuld van € 2.056,48 pro resto op 8 mei 2013 bij helfte moet worden verdeeld. Dit betekent dat de vrouw met terugwerkende kracht de helft van de creditcardschuld moet voldoen van € 50,- per maand. Dit verhoogt het draagkrachtloos inkomen van de vrouw en verlaagt het draagkrachtloos inkomen van de man.
Vanaf 1 juli 2014 tot de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking heeft de man geen omgang meer gehad met de minderjarige. Voor die maanden moet een zorgkorting van 0% worden toegepast.
4. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans die verzoeken af te wijzen.
5. Het hof overweegt als volgt. Om proceseconomische redenen kan op grond van artikel 2.6.4 procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven de wijziging van een voorlopige voorziening die de rechtbank heeft gegeven ook aan het hof worden gevraagd, indien het hoger beroep in de hoofdzaak daar aanhangig is. Daarvoor is noodzakelijk dat voldoende samenhang bestaat tussen de te wijzigen voorlopige voorziening en de hoofdzaak. Anders dan beide partijen veronderstellen, dient het verzoek van de man niet naar de maatstaf van artikel 1:401 Burgerlijk Pro Wetboek te worden beoordeeld maar naar de maatstaf van artikel 824 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering. Op grond van deze bepaling is een wijziging van voorlopige voorzieningen slechts mogelijk indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking voorlopige voorzieningen in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Dit is partijen ter zitting voorgehouden.
6. Hoewel niet wordt betwist dat de man in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 1 oktober 2014 minder woonlasten heeft gehad dan waar de rechtbank in de beschikking van 26 september 2014 van is uitgegaan, is niet betwist dat de man op het moment van het treffen van de voorlopige voorzieningen een betalingsregeling terzake de achterstand in de hypothecaire verplichtingen met Aegon had getroffen. Op grond van deze regeling was de man gehouden tot betaling van een bedrag van € 450,- per maand. Dat de man dit bedrag niet, althans niet elke maand heeft voldaan en dat partijen thans bevrijd zijn van deze last, maakt dit niet anders voor de daarvoor gelegen periode. Hierbij overweegt het hof dat voorlopige voorzieningen naar hun aard ordemaatregelen betreffen met een voorlopige karakter, bestemd om in een periode dat de echtscheidingsprocedure loopt te voorzien in een oplossing voor moeilijkheden die rijzen doordat de echtscheidingsprocedure aanhangig is of zal worden gemaakt. Daarmee verhoudt zich in beginsel niet een verzoek tot wijziging met terugwerkende kracht. Mede gelet op de hiervoor genoemde criteria voor wijziging van voorzieningen als verzocht, kan het enkele gegeven dat de man minder woonlasten zou hebben gehad niet leiden tot het alsnog opleggen van partneralimentatie dan wel het wijzigen van de kinderalimentatie.
7. Voor wat betreft de creditcardschuld overweegt het hof dat de verplichting tot aflossing van € 100,- per maand waarmee de rechtbank in de beschikking van 26 september 2014 rekening heeft gehouden, een last is en was die op de draagkracht van de man rust. Het feit dat de rechtbank in de beschikking van 1 augustus 2014 betreffende de echtscheiding heeft geoordeeld dat partijen gelijkelijk draagplichtig zijn voor deze schuld, maakt dit niet anders. Evenmin is bij de beoordeling van de draagkracht van de man in voorlopige voorzieningen van belang of de man in deze achteraf een regresvordering heeft op de vrouw. De vraag welk bedrag de vrouw aan de man in het kader van de verdeling verschuldigd is, dient in de hoofdprocedure en niet in het kader van de voorlopige voorzieningen aan de orde te worden gesteld
8. Ten aanzien van de door de man gestelde wijziging waar het de zorgregeling betreft overweegt het hof tenslotte als volgt. Het is aan partijen om de afspraken die zij over de zorgregeling hebben gemaakt, na te komen, dan wel zich te houden aan de regeling zoals de rechtbank heeft vastgelegd in de beschikking van 17 juli 2013. Hoewel vaststaat dat gedurende enige tijd door de man geen zorg werd verleend, kan dit niet leiden tot een gewijzigd oordeel over de draagkracht van de man. De man stelt immers dat hij niet in de gelegenheid was gesteld om zijn zorgkosten te maken terwijl de vrouw hem verwijt dat hij de zorgregeling niet nakomt. Het is niet aan de rechter in voorlopige voorzieningen om te beoordelen aan wie van partijen het ligt dat er geen zorg door de man wordt verleend. Dat de man gedurende een bepaalde periode geen zorgkosten had dan wel heeft kan dan ook niet leiden tot een wijziging van de beschikking van 17 juli 2013.
9. De slotsom is dan ook dat geen van de door de vrouw aangevoerde gronden om tot een wijziging van de kinderalimentatie – overigens tot een hoger bedrag dan de vrouw destijds had verzocht – en een vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te komen, voldoet aan het hiervoor onder 6 weergegeven criterium om tot een wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen van 17 juli 2013 over te gaan. Het hof zal daarom dit verzoek van de vrouw afwijzen.
Proceskosten
10. De man heeft ter zitting verzocht om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure. Er is sprake van nodeloos procederen. Hij stelt een griffierecht van € 311,- verschuldigd te zijn en een eigen bijdrage in het kader van de toevoeging van waarschijnlijk € 796,-.
11. De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij betoogt dat sprake is van een zelfstandig verzoek dat bij verweerschrift had moeten worden verzocht. Voorts stelt zij dat partijen in deze procedure aan het hof geen griffierechten zijn verschuldigd. Ook zijn er geen extra kosten in het kader van de toevoeging naast de kosten die worden gemaakt voor de echtscheidingsprocedure, aldus de vrouw.
12. Het hof overweegt als volgt. Een verzoek om proceskostenveroordeling kan ook nog ter zitting verzocht worden en geldt niet als een incidenteel appel. Het hof ziet echter geen grond de vrouw in de proceskosten te veroordelen. Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
13. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:
wijst het verzoek van de vrouw tot wijziging van voorlopige voorzieningen af;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Sutorius-van Hees en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 maart 2015.