Uitspraak
uitspraak d.d. 25 februari 2015
[X] te [Z], belanghebbende,
Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg
Loop van het geding in hoger beroep
Vaststaande feiten
Oordeel van de rechtbank
Inhoudelijk
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met asbesthoudende materialen, waarvan de WOZ-waarde voor 2013 door de heffingsambtenaar werd vastgesteld op € 432.000. De rechtbank stelde de waarde bij uitspraak op bezwaar vast op € 430.000, omdat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was en voerde een lagere waarde van € 350.000 aan, onderbouwd met een eigen taxatierapport.
In hoger beroep betwistte de heffingsambtenaar de lagere waarde en stelde hij dat de waarde juist te laag was vastgesteld. Het hof heeft de onderliggende taxatierapporten en vergelijkingsobjecten beoordeeld. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende had onderbouwd hoe rekening was gehouden met het waardedrukkende effect van asbest en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn lagere waarde correct was, mede door onvoldoende vergelijkbaarheid van de gebruikte objecten en het ontbreken van marktgegevens.
Het hof bevestigde daarom de door de rechtbank vastgestelde WOZ-waarde van € 430.000. Tevens veroordeelde het hof de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep. Beide hoger beroepen werden ongegrond verklaard. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 25 februari 2015.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op € 430.000; het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar worden afgewezen.