Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 28 april 2015
[appellant],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
eerste grief, klaagt erover dat de rechtbank is uitgegaan van de rechtmatigheid van het beslag. [appellant] brengt naar voren dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat aan het beslag strafrechtelijke gebreken kleven; de beslaglijsten zijn onjuist en onvolledig en er is ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de beslaglegging onder appellant in privé en die onder diens onderneming. De
tweede griefvalt het oordeel van de rechtbank aan, dat de Staat niet gehouden was tot teruggaaf van de litigieuze Cmstacker, een Sony handcamera, een mobiele telefoon, een laptop en twee microkaarten. [appellant] voert aan dat de Staat gehouden was een selectie te maken tussen strafbaar en niet strafbaar materiaal en dat de bestanden waarvan het bezit niet strafbaar was, hadden moeten worden teruggegeven, hetgeen volgens [appellant] ook is toegezegd. De
derde griefis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet tot teruggaaf van de in beslag genomen goederen kon worden gekomen omdat de goederen strafbaar materiaal hebben bevat of zijn gebruikt om strafbaar materiaal te vervaardigen. [appellant] beroept zich erop dat ook de mogelijkheid heeft bestaan om bijvoorbeeld de harde schijf te verwijderen en het restant terug te geven. De
vierde griefkeert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat in het midden kan blijven of sprake was van een toezegging tot teruggaaf dan wel dat de teruggaaf uit coulance zou dienen te geschieden. [appellant] betoogt dat onrechtmatig is dat de Staat de door hem gewenste bestanden niet kon teruggeven en dat daarbij de door de officier van justitie in de klaagschrift-procedure gedane toezegging cruciaal is. [appellant] is van mening dat een door hem gedaan bewijsaanbod tot het horen van de zittingsrechter in de klaagschriftprocedure ten onrechte is gepasseerd. Hij meent dat een en ander moet leiden tot een in redelijkheid te bepalen schadevergoeding en stelt dat een bedrag van € 100.000,- alleszins redelijk is. De
vijfde griefbetreft de datum waarvan de rechtbank bij de waardebepaling van de vernietigde goederen is uitgegaan. [appellant] wijst erop dat hij reeds lang voordat de rechtbank in de klaagschriftprocedure heeft beslist (24 april 2012), om teruggaaf heeft verzocht en stelt dat het op de weg van de officier van justitie had gelegen om eerder een teruggaaf procedure te entameren. Hij meent dat de rechtbank ten onrechte een waardedaling met een factor 3 heeft toegepast. De
zesde griefricht zich tegen de omstandigheid dat de rechtbank bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding uitsluitend is uitgegaan van het door [appellant] opgestelde overzicht. Volgens [appellant] had de rechtbank daarbij ook de voorwerpen moeten betrekken die zijn doorgehaald op de bij de in rechtsoverweging 1.3 bedoelde opdracht gevoegde lijst.