ECLI:NL:GHDHA:2016:1009
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- U.E. Tromp
- J.T. Sanders
- W.M.G. Visser
- Rechtspraak.nl
Geen gezamenlijke ondernemer voor omzetbelasting bij samenwerking nachtclub en prostitutiebedrijf
In deze zaak staat centraal of de combinatie van drie (rechts)personen, te weten een BV, een Maatschap en een Stichting, gezamenlijk als één ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 moet worden aangemerkt. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op, die door de rechtbank werd vernietigd, maar door het Gerechtshof Amsterdam werd bevestigd. De Hoge Raad vernietigde dit en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag.
De combinatie exploiteerde een relaxbedrijf met een nachtclub en diensten van prostituees. De BV beschikte over vergunningen en stelde faciliteiten ter beschikking, de Maatschap bestond uit leden die arbeid en kapitaal inbrachten, en de Stichting verrichtte werkzaamheden ten behoeve van de Maatschap. Er was een overeenkomst van beheer en bewaring waarin samenwerking werd geregeld.
Het Hof stelt vast dat hoewel er nauwe samenwerking was, de drie rechtspersonen ieder op eigen naam overeenkomsten sloten, eigen facturen verstuurden en eigen jaarrekeningen opstelden. Er was geen sprake van een gezamenlijke onderneming met feitelijke maatschappelijke zelfstandigheid die als één ondernemer naar buiten trad. De Inspecteur heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de samenwerking zodanig was dat zij als één ondernemer moesten worden aangemerkt.
Het Hof bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond. De proceskosten worden aan de zijde van belanghebbende vastgesteld en de naheffingsaanslag en heffingsrente worden vernietigd.
Uitkomst: De combinatie van BV, Maatschap en Stichting wordt niet als één ondernemer aangemerkt voor de omzetbelasting; het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard.