Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 9 augustus 2016
[appellant] ,
Het geding
[appellant] het procesdossier overgelegd en arrest gevraagd. [geïntimeerden] heeft daarop geen instructies meer gegeven, waarna een datum voor arrest is bepaald.
Beoordeling van het hoger beroep
de raadsman van geïntimeerden niet in het bezit is van de memorie van grieven en op basis van het dossier in eerste aanleg de onderhavige memorie verwoordt.” Het hof ziet in deze opmerking geen aanleiding om [geïntimeerden] in de gelegenheid te stellen om (alsnog) op de memorie van grieven te reageren. De raadsman – die [geïntimeerden] ook in eerste aanleg bijstond – heeft niet aangevoerd dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om de memorie van grieven op te vragen bij de wederpartij of om het griffiedossier in te zien (waarop partijen immers recht hebben; vgl. artikel 1.11 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven). Bovendien heeft de raadsman op 28 juli 2015 het verstek gezuiverd door zich voor [geïntimeerden] te stellen en is de memorie van antwoord pas op 22 september 2015 genomen.
[appellant] in gebruik als (groente)tuin.
Verkoper en koper verklaarden nog het navolgende:
[appellant] en in aanwezigheid van beide partijen een grensreconstructie uitgevoerd. Hiervan is een relaas van bevindingen opgemaakt. Uit dit relaas blijkt dat de feitelijke erfgrens (de door [geïntimeerden] geplaatste betonnen rand met schuttingdelen) in het nadeel van [appellant] afwijkt van de kadastrale erfgrens.
- i) een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid zoals vastgelegd bij notariële akte d.d. 22 augustus 2003 ex artikel 5:78 jo Pro. 5:79 BW dient te worden opgeheven;
- ii) een verklaring voor recht dat [appellant] niet verplicht is om Turk en de zijnen, alsmede hun rechtsopvolgers, nog langer overpad te verlenen via het in deze procedure bedoelde pad op het perceel van [appellant] en dat [appellant] dit mag afsluiten voor [geïntimeerden] ;
- iii) een verklaring voor recht dat de in deze procedure bedoelde erfafscheiding (de “betonnen rand” met schuttingdelen) en de naastgelegen nieuwe weg zoals aangelegd door [geïntimeerden] , op het perceel van [appellant] staan;
- iv) een veroordeling van [geïntimeerden] om de erfafscheiding en de nieuwe weg zoals bedoeld onder (iii) van het perceel van [appellant] te verwijderen en verwijderd te houden, zulks binnen veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per (gedeelte van een) dag dat [geïntimeerden] in gebreke blijven aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen;
- v) een verklaring voor recht dat [appellant] door het onrechtmatige gebruik door [geïntimeerden] schade heeft geleden als gevolg waarvan [geïntimeerden] dienen te worden veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding nader op te maken bij staat voor de periode van 14 juni 2013 totdat het onrechtmatige gebruik is geëindigd;
- vi) een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten, alsmede de kosten van de kadastrale meting.
[appellant] dat [geïntimeerden] misbruik maakt van het recht van overpad door dit onevenredig zwaar te belasten, onder meer door derden daarvan gebruik te laten maken, terwijl daar geen noodzaak toe bestaat. [geïntimeerden] maakt nu gebruik van de weg met auto’s met zwaar beladen aanhangwagens en caravans, waardoor de weg waarover het overpad loopt vaker moet worden opgehoogd. De kosten daarvan komen voor rekening van [appellant] . Dat was niet voorzien ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid en de schade die
daardoor lijdt, bestaande uit de kosten van ophoging van het pad, moet worden vergoed in de vorm van een gebruiksvergoeding.
- i) een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid zoals vastgelegd bij notariële akte d.d. 22 augustus 2003 ex artikel 5:78 jo Pro. 5:79 BW dient te worden opgeheven,
- ii) een verklaring voor recht dat [appellant] niet verplicht is om Turk en de zijnen, alsmede hun rechtsopvolgers, nog langer overpad te verlenen via het in deze procedure bedoelde pad op het perceel van [appellant] en dat [appellant] dit mag afsluiten voor [geïntimeerden] ,
- iii) een verklaring voor recht dat de in deze procedure bedoelde erfafscheiding (de “betonnen rand” met schuttingdelen) en de naastgelegen nieuwe weg zoals aangelegd door [geïntimeerden] , op het perceel van [appellant] staan;
- iv) de veroordeling van [geïntimeerden] om de erfafscheiding en de schuttingdelen, alsmede het door hem aangelegde naastgelegen pad zoals bedoeld onder (iii) van het perceel van [appellant] te verwijderen en verwijderd te houden,
- v) een verklaring voor recht dat [appellant] door het onrechtmatige gebruik door [geïntimeerden] schade heeft geleden
tegen deze afwijzing opkomt en zijn vordering handhaaft. Naar het oordeel van het hof dient de vordering te worden toegewezen. Weliswaar stelt [geïntimeerden] terecht (conclusie van antwoord onder 20) dat niet expliciet is afgesproken dat de reconstructie zou worden uitgevoerd op basis van “kosten ongelijk”, maar niet is betwist dat [appellant] het wel zo aan [geïntimeerden] heeft voorgesteld en dat [geïntimeerden] vervolgens bij de reconstructie aanwezig is geweest zonder kenbaar te maken dat hij het niet eens was met dat voorstel ten aanzien van de kostenverdeling. Uit deze gedragingen van [geïntimeerden] mocht [appellant] redelijkerwijs afleiden dat [geïntimeerden] instemde met het – geenszins ongebruikelijke en geenszins onredelijke – voorstel. Zoals hierboven reeds overwogen, blijkt uit de reconstructie dat de door [geïntimeerden] geplaatste erfafscheiding deels op het perceel van [appellant] staat, zodat [geïntimeerden] in zoverre inderdaad in het ongelijk is gesteld. Aan [geïntimeerden] moet worden toegegeven dat uit het relaas van bevindingen van het Kadaster niet zonder meer valt af te leiden dat de erfafscheiding voor 85% op het perceel van [appellant] staat. Wat daar echter ook van zij, nu vaststaat dat de erfafscheiding in elk geval deels op het perceel van [appellant] is geplaatst, acht het hof het redelijk dat [geïntimeerden] 50% van de kosten draagt.
Beslissing
opnieuw rechtdoende: