Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
gevoegd met:Zaaknummer : 200.150.648 (hierna ook: zaak II)
Zaak- en rolnummer rechtbank : 2074922 \ CV EXPL 13-319
Arrest d.d. 9 februari 2016
inzake 200.150.645 (zaak I) van:
[bedrijf],gevestigdte [vestigingsplaats] (gemeente […]),
hierna te noemen: [D],
de rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingVERENIGING VAN EIGENAREN VAN CHALETS IN HET RECREATIEPARK FORT PRINS FREDERIK,
hierna te noemen: de Vereniging,
inzake 200.150.648 (zaak II) van:
[naam],
hierna te noemen: [P],
de rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingVERENIGING VAN EIGENAREN VAN CHALETS IN HET RECREATIEPARK FORT PRINS FREDERIK,
hierna te noemen: de Vereniging,
Beoordeling van het hoger beroep
Onderhoudswerkzaamheden door [P] (h.o.d.n. […]) (zaak II, conventie)
€ 9.000, -- dat door de Vereniging onverschuldigd aan [D] is betaald, althans waarmee [D] ten koste van de Vereniging ongerechtvaardigd is verrijkt.
De omstandigheid dat later andere natuurlijke personen het bestuur van de Vereniging zijn gaan vormen, betekent niet dat deze subjectieve bekendheid dan pas aan de Vereniging kan worden toegerekend. Een andere rechtsopvatting zou bovendien als onlogische consequentie hebben dat de aanvang van een verjaringstermijn bij rechtspersonen volstrekt ongewis is.
Tussenconclusie.
Slotsom
De Vereniging geldt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in zaak I. Zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Het hof zal slechts de helft van het gebruikelijke tarief berekenen voor de comparitie van partijen en het schriftelijk pleidooi in zaak I in hoger beroep, aangezien de zaken I en II in dat stadium gevoegd zijn behandeld. Voor de memorie van grieven geldt een heel punt, nu in zaak I sprake is geweest van een aparte memorie. In totaal komt het hof dus op twee punten in hoger beroep.
Beslissing
- wijst af het door partijen meer of anders gevorderde;
- veroordeelt de Vereniging in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [D] tot op 31 januari 2014 in conventie begroot op € 76,71 aan kosten uitbrenging inleidende dagvaarding, € 448,-- aan griffierecht en € 1.000,-- aan salaris gemachtigde;
- veroordeelt de Vereniging in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [D] tot op heden begroot op € 77,52 aan kosten uitbrenging appeldagvaarding,
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- laat [P] toe tot bewijslevering, zoals in rechtsoverweging 4 overwogen;
- bepaalt dat, indien [P] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden maart tot en met mei van 2016, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.