Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 juni 2016
[appellanten],
Eneco Services B.V.,
Het verloop van het geding
3 augustus 2015 hebben [appellanten] een herstelexploot uitgebracht, waarna zij de zaak alsnog bij het hof hebben aangebracht. [appellanten] hebben vervolgens bij memorie van grieven met producties drie genummerde grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Ter aanvulling hierop hebben zij nog een akte uitlaten genomen. Eneco heeft de grieven bestreden bij memorie van antwoord met producties. Ten slotte is arrest bepaald.
Beoordeling van het hoger beroep
ADe feiten
8 oktober 2003 tot 8 oktober 2004 een verbruik van 842 kWh aan elektriciteit en 947 m3 aan gas vermeld. Als historisch verbruik in 2002/2003 wordt in genoemde jaarnota een verbruik van 813 kWh aan elektriciteit en 908 m3 aan gas genoemd.
Verbruik
€ 7.435,75.
BDe procedure in eerste aanleg
CDe procedure in hoger beroep
DDe beoordeling van de grieven
het door Eneco gestelde energieverbruik
5 november 2005 overgelegd (dit overzicht bevindt zich bij de als productie 6 door Eneco bij de dagvaarding overgelegde documenten). In dit overzicht worden (onder meer) jaarnota’s genoemd van 31 oktober 2006, 1 november 2007 en 31 oktober 2008. In het licht hiervan hebben [appellanten] hun betoog dat tussen 2004 en 2009 geen jaarnota’s naar [X] zijn gezonden, onvoldoende onderbouwd. Daarmee komt ook het fundament te ontvallen aan de klachten van [appellanten] dat de in de jaarnota 2004 vermelde verbruiksperiode onjuist is en dat de meterstanden niet aansluiten op de meterstanden die in de jaarnota 2009 staan vermeld. Het niet op elkaar aansluiten van die meterstanden komt immers alleen voor het predicaat “inconsistentie” in aanmerking, indien er tussen de jaarnota 2004 en de jaarnota 2009 door Eneco geen andere jaarnota’s zijn opgemaakt.
23 oktober 2010 tot 3 mei 2012 vier of vijf keer zo hoog als het energieverbruik van [X] in de jaren 2003 en 2004. Dit verschil is, aldus [appellanten], onverklaarbaar, omdat er sinds 2004 geen wijzigingen in de samenstelling van het huishouden hebben plaatsgevonden en er geen elektrische apparaten zijn bijgekomen.
23 oktober 2010 tot 3 mei 2012 onvoldoende gemotiveerd.
11367 m3 en op 8 oktober 2009 een eindstand van 31620 m3. In de tussenliggende vijf jaren heeft [X] aldus een verbruik van (31620 minus 11367 =) 20253 m3 gas gehad, wat gemiddeld uitkomt op een verbruik van 4050,6 m3 gas per jaar. Voor elektriciteit geldt mutatis mutandis hetzelfde.
verrekening van voorschotbedragen en belastingtarieven
€ 2.426,42 worden zes maandtermijnen (voorschotbedragen) van € 352,00 opgeteld, wat leidt tot een totaalbedrag van € 4.538,42. Van dit bedrag worden twee betalingen (van in totaal
€ 600,00) afgetrokken alsmede het op de eindnota 2012 genoemde bedrag van € 1,44. Het bedrag van € 1,44 betreft, zo volgt uit de eindnota 2012, een correctie voor het verschil tussen de in rekening gebrachte voorschotbedragen en het daadwerkelijke energieverbruik door [X].
6 november 2010. Die jaarnota betreft immers niet de periode die ten grondslag ligt aan het door Eneco gevorderde, te weten de periode van 23 oktober 2010 tot 3 mei 2012 en is daarmee niet relevant voor enige door het hof te nemen beslissing.
EConclusie
FBeslissing
W.M. Limborgh en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2016 in aanwezigheid van de griffier.