De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor verduistering van een minigraver die hij onder een leaseovereenkomst van de leasemaatschappij onder zich had. Het hof stelde vast dat de graafmachine eigendom bleef van de leasemaatschappij en dat verdachte wist dat hij niet bevoegd was deze te verkopen. De verdediging voerde aan dat de minigraver zijn eigendom was, maar dit verweer werd verworpen.
Het hof achtte bewezen dat verdachte de graafmachine wederrechtelijk heeft toegeëigend door verkoop zonder toestemming van de eigenaar. De verdachte had op zijn minst voorwaardelijk opzet op verduistering. Het verzoek om een curator als getuige te horen werd afgewezen wegens gebrek aan noodzaak.
De straf werd gemotiveerd op basis van de ernst van het feit, het vertrouwen dat werd beschaamd en het financiële nadeel voor de leasemaatschappij. Rekening houdend met eerdere veroordelingen en persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde het hof een taakstraf van 40 uur op, met een proeftijd van 2 jaar en vervangende hechtenis van 20 dagen bij niet-naleving.