Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[X] B.V.,
Bosch Inveka B.V.,
3.[Y] V.O.F.,
Deliscious B.V.,
(a) degene die inzage, afschrift, uittreksel van bescheiden of overlegging van ander bewijsmateriaal vordert, daarbij een rechtmatig belang heeft,
(b) het bepaalde bescheiden en/of bepaald ander bewijsmateriaal betreft als bedoeld in voormelde bepalingen, en
(c) deze bescheiden en/of dit bewijsmateriaal een rechtsbetrekking betreffen waarin degene die deze vordering heeft ingesteld of zijn rechtsvoorgangers, partij zijn. De vordering kan worden ingesteld tegen wederpartijen bij de in artikel 843a Rv bedoelde rechtsbetrekking, en tegen derden die bij die rechtsbetrekking geen partij zijn, zo heeft de Hoge Raad bepaald, HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834 (Alphens schietincident).
of uittreksel van bewijsmateriaalverlangt dient dan zodanige feiten en omstandigheden te stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal te onderbouwen dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt.
reële vordering, waarbij de inbreuk voorshands voldoende aannemelijk is gemaakt (…)”, Kamerstukken II 2005/06, 30392, 3, p. 18 (onderstreping toegevoegd, hof). Dit ligt naar het oordeel van het hof voor de hand en brengt mee dat niet kan worden aangenomen dat de geldigheid van het ingeroepen octrooi in dit verband in het geheel geen rol zou mogen spelen, zoals Plantlab betoogt. Het is niet goed voorstelbaar dat de houder van een nietig octrooi een vordering tot inzage in verband met een vordering wegens inbreuk op dat octrooi toegewezen zou kunnen krijgen. Gelet op artikel 6 Handhavingsrichtlijn Pro, zal dus ook de geldigheid van het octrooi in de beoordeling moeten worden betrokken. Aan de hand van welke maatstaf dat dient te gebeuren – voorwerp van discussie in de eerdergenoemde zaak Synthon/Astellas – en of daarbij nog een onderscheid gemaakt moet worden tussen een incident in een bodemprocedure (zoals in casu) en een kortgedingprocedure kan hier in het midden blijven. Het hof is namelijk van oordeel dat een inzagevordering
in ieder gevalniet kan worden toegewezen indien sprake is van een octrooi dat om welke reden dan ook evident nietig (kennelijk ongeldig) is; en daarvan is, zoals hierna wordt overwogen, in dit geval sprake.
final rejectiondoor de US Examiner met de vaststelling dat het octrooi ‘old and notoriously well-known’ techniek probeert te beschermen, en (ii) een advies ex artikel 84 Rijksoctrooiwet Pro 1995 van het Octrooicentrum Nederland betreffende het octrooi waar het in deze zaak om gaat (NL 091).
dat de aangevoerde nawerkbaarheidsbezwaren ten aanzien van het octrooi en het hulpverzoek geen doel treffen;
dat bij een letterlijke benadering van het in de conclusies vereiste temperatuurverschil tussen omgeving en blad:
de conclusies 1, 4, 6, 8, 11 en 12 van het octrooi niet nieuw zijn;
de conclusies 1 en 4 van het hulpverzoek niet nieuw zijn;
dat bij een doelgerichte benadering van het in de conclusies vereiste temperatuurverschil tussen omgeving en blad:
de conclusie 8, 11 en 12 van het octrooi niet nieuw zijn;
de conclusies 1-7, 9 en 10 van het octrooi niet inventief zijn;
de conclusies 1-8 van het hulpverzoek niet inventief zijn;
dat de aangevoerde bezwaren ten aanzien van toegevoegde materie in het hulpverzoek geen doel treffen.
prior art, genoemd in de in die procedure ingediende
third party observationsvan Philips, geen rekening is gehouden en dat deze
prior artniet inhoudelijk is beoordeeld door het Europees Octrooibureau mede gelet op het late moment van indienen. Overigens hebben geïntimeerden aangekondigd een oppositieprocedure te zullen entameren.
nietaan de hand van het als productie PA13 overgelegde hulpverzoek. Op laatstgenoemd hulpverzoek heeft Plantlab in dit incident zelfs geen beroep gedaan, zoals geïntimeerden ten pleidooie terecht hebben geconstateerd. Dat betekent dat het hof hierop geen acht mag slaan omdat het anders buiten de rechtsstrijd zou treden (artikel 24 Rv Pro). Het hof merkt in dit verband op dat in de opmerkingen in punt 4.6 en punt 4.22 van de pleitnotities van Plantlab geen (althans geen voldoende duidelijk) beroep op dit hulpverzoek valt te lezen; er wordt in de pleitnotities ook niet verwezen naar productie PA13. De enkele opmerking op bladzijde 3 van haar akte houdende overlegging aanvullende producties (waarbij productie PA13 is overgelegd) dat Plantlab
“de geldigheid van het octrooi in de bodemprocedure bij de rechtbank tevens[zal]
verdedigen aan de hand van het hierbij overgelegde tweede hulpverzoek”kan niet als een beroep op dit tweede hulpverzoek in dit incident worden beschouwd.
Geïntimeerden hebben bezwaar gemaakt tegen beoordeling van het als productie PA13 overgelegde hulpverzoek, omdat het te laat is ingediend en de gestelde inbreuk op het octrooi met inachtneming van dit hulpverzoek bovendien in het geheel niet is onderbouwd. Plantlab legt immers niet uit waarom de gewraakte klimaatcel zou vallen onder de conclusies volgens het als productie PA13 overgelegde hulpverzoek. Daarnaast heeft dit nieuwe hulpverzoek repercussies voor de discussie over de geldigheid, en als Plantlab pas bij pleidooi haar (aldus aangepaste) inbreukvordering toelicht (hetgeen zij niet heeft gedaan), wordt geïntimeerden de mogelijkheid ontnomen hun nietigheidsargumenten daarop eventueel aan te passen. Dit een en ander is in strijd met de goede procesorde, aldus geïntimeerden.
Naar het oordeel van het hof moet dit hulpverzoek, dat blijkbaar een beperking van het octrooi beoogt, worden aangemerkt als een nieuwe stelling dan wel een wijziging van de grondslag van eis; het geeft aanleiding tot een nieuw debat over de geldigheid van het octrooi en de inbreuk daarop. Volgens de in artikel 347 lid 1 Rv Pro besloten liggende twee-conclusie-regel is het (eventuele) beroep op het hulpverzoek te laat ingediend (zie Hof Den Haag 3 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3099 (High Point/KPN)). De vraag is evenwel of in dit geval niet een uitzondering op deze regel moet worden gemaakt wegens de bijzondere aard van de procedure (inzage-incident) of omdat het gaat om reactie op een na de memorie van grieven voorgevallen feit. Die vraag kan echter in het midden blijven omdat – wat daar ook van zij – toelating van dit (eventuele) beroep naar het oordeel van het hof in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde, nu het zo laat en zonder enige toelichting is ingediend dat geïntimeerden in hun verdediging zouden worden geschaad en het bovendien in het geheel niet is onderbouwd.
- veroordeelt Plantlab in de kosten van het geding in hoger beroep
- aan de zijde van Certhon tot op heden begroot op € 704,- aan griffierechten, en € 17.104,58 aan salaris advocaat, en
- aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 704,- aan griffierechten, en € 11.194,05 aan salaris advocaat;