Belanghebbende verwierp de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van € 5.000 opgelegd door de Inspecteur, omdat de onroerende zaak sinds 1982 als tandartspraktijk werd gebruikt en niet als woning. De rechtbank oordeelde echter dat de onroerende zaak, oorspronkelijk gebouwd en bestemd als woning, ondanks het gebruik als praktijk, nog steeds als woning moet worden aangemerkt vanwege het behoud van de oorspronkelijke indeling en de woonbestemming in het bestemmingsplan.
In hoger beroep bevestigt het Hof deze beoordeling. Het Hof stelt vast dat de Inspecteur niet heeft kunnen aantonen dat de aanpassingen voor het gebruik als tandartspraktijk een bestemmingswijziging tot gevolg hadden. De oorspronkelijke aard als woning is niet wezenlijk gewijzigd en de onroerende zaak kan relatief eenvoudig weer als woning worden gebruikt.
Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard. De Inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 1.488, en het griffierecht van € 503 wordt geheven. De uitspraak bevestigt daarmee de rechtbankuitspraak en de naheffingsaanslag blijft in stand.