Uitspraak
Artikel 3
Vergoedingsrechten
Kosten van de huishouding
€ 50,-
Gerechtshof Den Haag
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden die een gemeenschap van inboedel regelen en andere vermogens gescheiden houden. De vrouw vorderde vergoeding van kosten die zij had betaald, gebaseerd op artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden, terwijl de man stelde dat deze kosten als kosten van de huishouding volgens artikel 10 moesten Pro worden aangemerkt en dus geen vergoeding rechtvaardigen.
Het hof oordeelde dat de vrouw niet aannemelijk had gemaakt dat haar betalingen het vermogen van de man hadden vermeerderd, zodat geen vergoedingsrecht uit artikel 7 bestond Pro. De kosten die de vrouw had betaald, waaronder hypotheek, vakantie, auto en huishoudelijke artikelen, vielen onder de kosten van de huishouding zoals omschreven in artikel 10, waarvoor geen vergoeding verschuldigd is.
De vrouw kon ook niet aantonen dat zij meer had bijgedragen dan haar fourneerplicht, mede door het ontbreken van relevante inkomensgegevens en de vervaltermijn in artikel 10. Ook de incidentele vordering voor opleidingskosten werd afgewezen omdat de vrouw reeds een bedrag had ontvangen dat deze kosten overtrof.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis voor zover het de vrouw een vergoedingsrecht toekende en wees de vordering af. Het verzoek van de man om vast te stellen dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben werd eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De overige stellingen bleven onbesproken omdat deze niet tot een ander oordeel konden leiden.
Uitkomst: De vordering van de vrouw tot vergoeding van kosten uit de huwelijkse voorwaarden wordt afgewezen.