Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.DRET MASTER FUND C.V.,
DRET BEWAARMAATSCHAPPIJ B.V.,
ING REAL ESTATE DEVELOPMENT HOLDING B.V.,
“de turnkey overeenkomst (…) gegeven de huidige voorwaarden dus ook niet (kan) worden afgehandeld.”
29 januari 2011), zoals opgenomen in de overeenkomst op hoofdpunten, teneinde de verschuldigdheid van een bedrag aan overdrachtsbelasting van circa € 4.100.000 te voorkomen.
[A] (assetmanager; hierna: [A]) en de heer [B] (destijds portefeuillemanager; hierna: [B]), gezamenlijk tekeningsbevoegd. Notaris
[mr. K] (hierna: [mr. K]) trad op in opdracht van ING REIM als projectnotaris. Notaris [mr. G] (hierna: [mr. G]) trad op als onafhankelijk notaris.
1.Bijzondere afspraken met betrekking tot De Luif
2.Slotbepalingen
Primair:
grieven 1 en 2betoogt DRET dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de letterlijke tekst van de allonge niet volgt dat ING Vastgoed een boete is verschuldigd als zij er niet in slaagt C&A en Bristol (tijdig) als huurders te contracteren. Met
grief 3voert DRET aan dat de rechtbank ten onrechte de naar haar oordeel onduidelijke tekst van de allonge in het nadeel van DRET heeft uitgelegd omdat de allonge is opgesteld door de door DRET ingeschakelde notaris mr. [mr. K]. Met
grieven 4 en 5betoogt DRET dat de rechtbank heeft miskend dat DRET een machtspositie in de onderhandelingen had en daarom een boete kon eisen bij niet (tijdig) contracteren van C&A en Bristol als huurders.
Grieven 6 en 7nemen primair tot uitgangspunt dat de verhuur aan C&A en Bristol een resultaatsverplichting van ING Vastgoed was en subsidiair dat zelfs als die verhuur een inspanningsverplichting was, ING Vastgoed een boete heeft verbeurd omdat sprake is van een oneigenlijk boetebeding.
Grief 8richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet logisch is dat de boete voor het niet realiseren van De Luif even hoog is als voor het niet (tijdig) verhuren aan C&A en Bristol omdat het zogenoemde haltermodel ook zonder De Luif gerealiseerd had kunnen worden. Met
grief 9betoogt DRET dat de rechtbank heeft miskend dat de boeteregeling in de allonge afwijkt van artikel 18 van Pro de TKO omdat die laatste niet voorziet in een boete voor het geval C&A en Bristol niet (tijdig) als huurders worden gecontracteerd. Met
grief 10voert DRET aan dat de rechtbank heeft miskend dat het kooprecht van
De Luif bij niet-contracteren van C&A en Bristol losstaat van de boete die ING Vastgoed verbeurt in die situatie.
Grief 11richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat artikel 18.5 van de TKO prevaleert boven de boeteregeling in de allonge. Met
grief 12betoogt DRET dat de rechtbank ten onrechte geen groter gewicht heeft toegekend aan de getuigenverklaring van notaris mr. [mr. K]. Met
grief 13voert DRET aan dat de rechtbank heeft miskend dat de bonus voor ING RED bij tijdig verhuren aan C&A en Bristol niet de enige reden was voor het sluiten van de allonge maar dat ook de boete bij niet tijdig contracteren van die partijen daarvoor reden was. Met
grieven 14 en 15betoogt DRET dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het (tijdig) contracteren van C&A en Bristol een inspanningsverbintenis van ING RED was in plaats van een resultaatsverbintenis. Verder betoogt DRET dat zij door niet nakoming van die resultaatsverbintenis schade heeft geleden.
beidein artikel 1.1 genoemde “milestones” is evenmin duidelijk. Dat wreekt zich met name nu de laatste zin van artikel 1.2 bepaalt dat de boete verschuldigd is indien duidelijk wordt dat ING RED haar “positie” heeft teruggegeven aan de gemeente of wanneer er op uiterlijk 1 maart 2012 nog geen sprake is van “startbouw” van het project De Luif. Taalkundig bezien specificeert deze zin het boetebeding in die zin dat slechts een boete wordt verbeurd wanneer ING RED niet tijdig met de bouw is gestart of aan de gemeente te kennen geeft dat zij haar grondpositie teruggeeft. Wanneer met DRET moet worden aangenomen dat de eerste zin van artikel 1.2 ook betrekking heeft op de verplichting van ING RED om huurovereenkomsten met C&A en Bristol tot stand te brengen, bestaat er een tegenstrijdigheid tussen beide zinnen die aldus onduidelijkheid laat bestaan over de bedoeling van de tekst.
tijdstipbepaalt waarop er moet worden betaald. Dat is evenwel uit de tekst van de allonge niet af te leiden en verhoudt zich ook niet met de bepaling dat de boete onmiddellijk wordt verbeurd. Daar komt het volgende bij.
“met invulling als hierna omschreven”wijst taalkundig vooruit naar de daarop volgende bepalingen. Tot die bepalingen behoort onder meer de taak van ING RED om een huurovereenkomst met C&A en Bristol tot stand te brengen. Dat blijkt mede uit het feit dat zowel het realiseren van De Luif als het aangaan van de huurovereenkomsten in de daaropvolgende zin als uitgangspunt wordt genoemd. Op grond van de tekst van de allonge moet daarom worden aangenomen dat de verplichting om een huurovereenkomst met C&A en Bristol tot stand te brengen, ook een inspanningsverplichting was. Het feit dat met betrekking tot de daarna opgenomen “milestones” het woord “onverminderd” is gebruikt, doet daar niet aan af omdat daaruit niet is af te leiden dat is bedoeld afbreuk te doen aan het uitgangspunt dat van een resultaatsverbintenis geen sprake was. Het feit dat er sprake is van een inspanningsverplichting, verhoudt zich niet goed tot de stelling dat er een boete wordt verbeurd. Theoretisch zou een boete verbeurd kunnen worden wanneer niet wordt voldaan aan de verplichting van een partij om zich een bepaalde inspanning te getroosten, maar dat partijen dat hebben bedoeld, of dat ING RED aan die verplichting niet heeft voldaan, is door DRET niet gesteld. Het hof verwerpt ook het betoog dat ING RED uit hoofde van een oneigenlijk boetebeding gehouden is de boete te betalen. Bij een oneigenlijk boetebeding neemt de schuldenaar een bepaalde verbintenis op zich voor het geval hij een andere prestatie, waartoe hij zich niet verbindt, niet zal verrichten. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde.
dusmoet worden aangenomen dat het boetebeding in de allonge ook betrekking had op het tot stand brengen van de huurovereenkomsten. Het feit dat in de TKO geen boete is gesteld op het niet-contracteren van C&A en Bristol brengt, ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat de allonge prevaleert boven de TKO, vanzelfsprekend niet mee dat om die reden kan worden aangenomen dat in de allonge wel een dergelijke boete is overeengekomen. Het hof voegt daaraan toe dat tussen partijen niet in geschil is dat de boete en de bonus in de allonge zijn opgenomen omdat 3W van de gemaakte afspraken geen kennis mocht hebben.
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2015;
- veroordeelt DRET in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van ING Vastgoed tot op heden begroot op € 5.160,- aan verschotten en € 13.740,- aan salaris advocaat en bepaalt dat over deze kosten de wettelijke rente is verschuldigd met ingang van de vijftiende dag na dit arrest;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.