Uitspraak
,
1.Het beklag
[beklaagde 1], [beklaagde 2] en [beklaagde 3], beklaagden, niet te vervolgen ter zake van knevelarij.
Gerechtshof Den Haag
Klagers dienden bij de politie aangifte in tegen beklaagden wegens knevelarij, waarbij zij meenden dat sprake was van onverschuldigde vorderingen door ambtenaren. Het gerechtshof heeft het dossier, het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie en de stukken van het Functioneel Parket bestudeerd.
Tijdens de raadkamerzitting heeft de raadsman van klagers het beklag toegelicht, terwijl klagers zelf niet verschenen. De advocaat-generaal adviseerde het beklag af te wijzen. Het hof constateert dat de aanslagen waartegen het beklag zich richt, tot in hoogste instantie zijn vastgesteld en dat de Belastingdienst geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om deze aanslagen te matigen.
Daarnaast is het verzet tegen de invordering door de rechter ongegrond verklaard en is er geen ambtshalve verplichting tot vermindering van de aanslagen. Hierdoor is de vordering niet onverschuldigd en voldoet de situatie niet aan de eisen van artikel 366 Sr Pro. Het hof besluit daarom het beklag af te wijzen, waarmee de beslissing van het OM in stand blijft.
Uitkomst: Het beklag tegen de niet-vervolging wegens knevelarij wordt afgewezen.