Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Arrest
[verdachte],
4) en 6 april 2016.
Gerechtshof Den Haag
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van poging tot doodslag. In hoger beroep heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis vernietigd en de verdachte vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat hij als medepleger betrokken was bij het schieten op het slachtoffer.
De zaak draaide om een incident waarbij het slachtoffer werd geraakt door een schot van de medeverdachte. Er waren tegenstrijdige verklaringen over de toedracht; de verdachte en medeverdachte stelden dat het slachtoffer zelf een vuurwapen hanteerde en dat de medeverdachte uit zelfverdediging schoot. Het slachtoffer gaf een andere lezing waarbij de medeverdachte direct op hem schoot.
Het hof oordeelde dat het niet kon vaststellen dat de verdachte voorafgaand aan of tijdens het incident een nauwe en bewuste samenwerking had met de medeverdachte om het slachtoffer te schieten. Er was geen bewijs van een vooraf gemaakte afspraak of dat de verdachte wist dat de medeverdachte een vuurwapen bij zich had. Daarom werd de verdachte vrijgesproken.
De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte vrijgesproken werd. Het hof bepaalde dat beide partijen hun eigen kosten dragen en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen poging doodslag.