In deze zaak staat de partneralimentatie centraal die de man aan de vrouw moet betalen na hun echtscheiding. De man stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de eerder vastgestelde alimentatie te voldoen, mede door het beëindigen van zijn samenwerking met een zakenpartner en de daaruit voortvloeiende financiële gevolgen. Het hof beoordeelt de draagkracht van de man aan de hand van recente jaarstukken en concludeert dat het redelijk is om niet uit te gaan van het gemiddelde inkomen van de voorgaande jaren, maar van de actuele situatie met een fors lager inkomen.
De vrouw betwist dit en stelt dat de man zijn verdiencapaciteit onvoldoende benut en dat de jaarstukken over 2015 twijfelachtig zijn. Het hof oordeelt echter dat de man aannemelijk heeft gemaakt dat het inkomensverlies niet verwijtbaar is en dat hij inspanningen verricht om zijn inkomen te verbeteren. Ook worden de door de vrouw aangevoerde bezwaren tegen de jaarrekening 2015 verworpen.
Gelet op het feit dat het netto besteedbaar inkomen van de man lager is dan zijn lasten, concludeert het hof dat hij geen draagkracht heeft voor partneralimentatie. De partneralimentatie wordt daarom met ingang van heden op nihil gesteld, en voor de periode vanaf 2 maart 2015 tot heden wordt de alimentatie vastgesteld op het bedrag dat de man daadwerkelijk heeft betaald. De proceskosten worden gecompenseerd.