Belanghebbende is geconfronteerd met een naheffingsaanslag van €59 wegens parkeren zonder geldig kaartje of vergunning in de gemeente Den Haag. De aanslag is opgelegd aan belanghebbende als houder van het voertuig, conform artikel 225, lid 5, van de Gemeentewet. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het Gerechtshof bevestigt dit oordeel.
De kern van het geschil betrof de vraag of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, terwijl de feitelijke bestuurder van het voertuig een gemachtigde was. Het Hof oordeelt dat de houder van het voertuig als belastingschuldige wordt aangemerkt zolang de parkeerbelasting niet is voldaan. Daarnaast was het voor belanghebbende voldoende kenbaar dat er betaald parkeren gold, gezien de aanwezigheid van zoneborden, onderborden met werktijden en parkeerautomaten.
Belanghebbende voerde aan dat de borden niet goed zichtbaar waren door onvoldoende verlichting en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat parkeren na middernacht gratis was. Het Hof verwierp deze argumenten vanwege de onderzoeksplicht van de parkeerder en de duidelijke aanduidingen in de parkeerzone. Ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen feitelijk gelijke gevallen waren met autoverhuurbedrijven.
Ten slotte werd een eerdere naheffingsaanslag aan belanghebbende verworpen wegens het ontbreken van een rechtsmiddel, maar dit speelde geen rol in het huidige geding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.