Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 februari 2016
[appellant],
Stichting Havensteder,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Verhuurder is niet aansprakelijk voor de gevolgen van zichtbare of verborgen gebreken aan het gehuurde. Huurder vrijwaart verhuurder voor vorderingen van derden terzake van schaden, aan goederen en/of bedrijfsmiddelen welke zich op enig moment in het gehuurde mochten bevinden, als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken.”
“(…) Ik heb bij het inspecteren van het dak geen directe oorzaak kunnen vaststellen, wellicht mede omdat het ook droog was op dat moment. Wel is zichtbaar dat er enkele schroeven, waarmee de lichtstraten zijn bevestigd, dol zijn gedraaid en/of zijn gekit. Of de aansluiting van de nieuwe lichtkoepels de oorzaak is van de lekkages kan nader worden onderzocht door de koepels deels te demonteren. Zichtbaar is dat de aansluiting van de nieuwe dakbedekking t.p.v. de belending niet goed is. Ook is er een manchet van een dakdoorvoer los. Omdat dit redelijk ver van de lekkages is neem ik niet aan dat deze geconstateerde gebreken de oorzaak zijn van de huidige lekkage bij de lichtstraten. Wat de oorzaak wel is zal nader door een dakdekker dienen te worden onderzocht. De verwachting is dat de herstelkosten beperkt zullen zijn.”
“(…) Naar aanleiding van uw aanvullende schrijven d.d. 11 juli 2014 heeft Bakker Arkel donderdag 17 juli jl. een inspectie uitgevoerd op het dak boven de opstal van uw cliënt. Hierbij was tevens de verhuurder van uw cliënt, Havensteder, bij aanwezig. Er blijkt geen enkele lekkage aanwezig te zijn. Verder is er ook geen melding van een aanvullende lekkage van u, of uw cliënt, bekend bij Havensteder of Bakker Arkel. De laatste melding van een lekkage dateert van 27 mei 2014. Er was toen inderdaad sprake van een minimale lekkage van een nieuw geplaatste lichtkoepel. Dat is overigens op 28 mei 2014 direct door Bakker Arkel verholpen.”
primairde vernietiging van de vonnissen van 6 februari 2015 en 7 augustus 2015, alsmede (zo begrijpt het hof) de veroordeling van Havensteder tot betaling van € 21.699,68 wegens geleden schade. [appellant] vordert voorts vermindering van de huurprijs met 100% over de maanden november 2013 tot en met maart 2014 en met 50% over de maanden april 2014 tot en met november 2014 en hij vordert aldus de vordering van Havensteder te verminderen met € 25.566,88. [appellant] vordert voorts een verklaring voor recht dat:
- er sprake is geweest van meerdere lekkages in het gehuurde;
- de lekkages van november en december 2013 niet definitief zijn verholpen en dat er wel degelijk melding is gedaan van meerdere lekkages aan het gehuurde;
- de lekkage op 27 mei 2014 niet adequaat is verholpen;
- aan de overgelegde notitie “Overzicht procesverloop Stichting Havensteder – [appellant]” wel degelijk enige bewijskracht toekomt;
- de omzetverklaring afgegeven door Mesu & Partners een betrouwbare omzetverklaring is waaruit kan worden opgemaakt dat [appellant] een gederfde winst heeft van € 2.004,17 per maand.
uiterst subsidiairhetzelfde zonder enige huurkorting.
Grief Iis gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat in het midden kan blijven of een beroep op opschorting gerechtvaardigd was gedurende de periode van eind 2013 tot oktober 2014.
Grief IIkomt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat uit de deskundigenverklaringen lijkt te kunnen worden afgeleid dat er geen enkele lekkage in het gehuurde is geweest, terwijl [appellant] met
grief IIIaanvoert dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat de lekkages in november en december 2013 destijds definitief zijn verholpen en dat [appellant] nadien geen melding heeft gemaakt van lekkages, behalve op 27 mei 2014.
Grief IVis gericht tegen het oordeel dat Havensteder er vanuit mocht gaan dat de lekkage van 27 mei 2014 adequaat was verholpen.
Grief Vkomt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de notitie “Overzicht procesverloop Stichting Havensteder – [appellant]” geen enkele bewijskracht heeft.
Grief VIis gericht tegen het oordeel dat [appellant] er niet in is geslaagd te bewijzen dat op 1 april 2014 of op een andere datum na december 2013, behoudens 27 mei 2014, sprake is geweest van lekkages. Met
grief VIIkomt [appellant] op tegen het daarop volgende oordeel dat voor huurkorting na december 2013 geen aanleiding bestaat.
Grief VIIIricht zich tegen het oordeel dat de lekkage van 27 mei 2014 direct de volgende dag is verholpen.
Grief IXkomt op tegen het oordeel dat voor een huurkorting na 1 oktober 2014 des te minder reden bestaat aangezien [appellant] tijdens de comparitie heeft erkend dat hij sinds oktober 2014 geen last meer heeft gehad van lekkages.
Grief Xkomt op tegen het oordeel van de kantonrechter over de door [appellant] gederfde winst en
grief XIis gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vraag of [appellant] als gevolg van de lekkages schade heeft geleden, in het midden kan blijven. Met
grief XIIkomt [appellant] op tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten en met
grief XIIItegen de veroordeling in de proceskosten.
Grief XIVricht zich tegen de tegen [appellant] uitgesproken veroordelingen als zodanig en
grief XVbeoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.
grieven II, III, IV, VI en VIIIhebben betrekking op de vraag gedurende welke periode er sprake is geweest van lekkages en in hoeverre die lekkages voor [appellant] tot (ernstige) overlast hebben geleid. Bij beoordeling van die grieven neemt het hof tot uitgangspunt dat op [appellant] de stelplicht en de bewijslast rusten met betrekking tot zijn stelling dat er gedurende langere tijd sprake is geweest van ernstige lekkages die een huurprijsvermindering rechtvaardigen of een grondslag voor schadevergoeding bieden. Daarbij geldt dat een huurprijsvermindering slechts aan de orde is indien sprake is van een substantiële aantasting van het huurgenot. Tussen partijen is niet in geschil dat er in november en december 2013 ernstige lekkages hebben plaatsgevonden. De kantonrechter heeft bij het bestreden eindvonnis de gevorderde huurprijsvermindering over die maanden geheel toegewezen. Tegen deze beslissing is geen grief gericht. Daarom moet worden beoordeeld in hoeverre die lekkages (of andere lekkages) zich in de periode daarna nog hebben voorgedaan. Daarbij neemt het hof tot uitgangspunt dat tussen partijen niet in geschil is dat er ook op 27 mei 2014 nog melding is gemaakt van een lekkage.
grieven II, III, IV, VI en VIIIkunnen daarom niet tot vernietiging van het vonnis leiden.
Grief Vfaalt.
Grief Islaagt daarom evenmin.
grieven VII en IXhebben betrekking op de gevorderde huurkorting. Die grieven falen in het verlengde van het bovenstaande.
grieven X en XIhebben betrekking op de schade die [appellant] stelt te hebben geleden. Havensteder heeft zich in dit verband mede beroepen op artikel 1.3 van de huurovereenkomst, waarin is opgenomen dat zij niet aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van zichtbare of verborgen gebreken aan het gehuurde. [appellant] heeft niet gesteld dat de door hem gevorderde schade niet door dit artikel wordt bestreken, zodat moet worden aangenomen dat zijn vordering met betrekking tot de schade hierop afstuit. Met dit artikel is afgeweken van het bepaalde in artikel 7:208 BW Pro, hetgeen toelaatbaar is aangezien [appellant] niet stelt dat het gaat om een gebrek dat de verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst kende of behoorde te kennen.
grieven X en XIfalen.
Grief XIIricht zich tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten. [appellant] voert aan dat voor hem niet duidelijk is op welke kosten deze post betrekking heeft en of er daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Dat betoog stuit in ieder geval af op de als productie 5 bij memorie van antwoord overgelegde sommaties en brieven met betrekking tot een betalingsregeling.
Grief XIIfaalt daarom.
Grief XIIIheeft betrekking op de proceskosten en faalt in het verlengde van het bovenstaande.
grief XIVkomt [appellant] op tegen de ontbinding van de huurovereenkomst en de toewijzing van de gevorderde ontruiming. Hij voert daarin onder meer aan dat hij door de lekkages niet in staat was aan zijn huurverplichtingen te voldoen en dat het dus aan Havensteder zelf te wijten is dat er een huurachterstand is ontstaan. Dat betoog faalt. Voor zover er sprake was van een gebrek dat een huurprijsvermindering rechtvaardigde, was [appellant], zo heeft de kantonrechter geoordeeld, niet gehouden tot betaling van de huur over de maanden november en december 2013. Met betrekking tot de maanden gedurende welke een dergelijk gebrek niet aannemelijk is geworden, kan evenmin worden aangenomen dat Havensteder het voor [appellant] onmogelijk heeft gemaakt de huur te voldoen. Voor de conclusie dat de ontbinding “niet volgens de regels van redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 BW Pro” is, is dus geen grond. Voor zover [appellant] het oog heeft op de uitzondering in artikel 6:265, eerste lid, BW, heeft te gelden dat gelet op het bovenstaande, en de forse huurachterstand, niet kan worden aangenomen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding niet rechtvaardigt.
Grief XIVfaalt.
Grief XVheeft geen zelfstandige betekenis en faalt dus ook. Dat betekent dat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd. Bij de in hoger beroep gevorderde verklaringen voor recht bestaat onder die omstandigheden geen zelfstandig belang. Daarmee heeft [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en moet hij worden veroordeeld in de kosten van het geding.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 7 augustus 2015;
- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Havensteder tot op heden begroot op € 1.937,- aan verschotten en € 3.262,- aan salaris advocaat.