Belanghebbende exploiteerde speelautomaten aan boord van veerboten van een andere vennootschap en bracht de omzetbelasting die zij in rekening kreeg in aftrek. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op en corrigeerde de aftrek van voorbelasting. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het Hof bevestigt deze uitspraak.
Het geschil betreft de vraag of de exploitatie van kansspelautomaten recht geeft op aftrek van voorbelasting. Belanghebbende stelde dat de opbrengsten niet onder de kansspelbelasting vielen en dat sprake was van een partageovereenkomst, waardoor geen belastbare prestaties aan haar zouden zijn verricht. De Inspecteur betoogde dat de activiteit onder de vrijstellingsbepaling van de Wet OB valt en dat geen sprake is van partage.
Het Hof overwoog dat de exploitatie van kansspelautomaten onder de kansspelbelasting valt en derhalve de vrijstelling van omzetbelasting geldt, waardoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Het subsidiaire standpunt over partage faalde omdat geen bewijs werd geleverd. Ook het standpunt dat de door de andere vennootschap in rekening gebrachte omzetbelasting niet verschuldigd zou zijn, werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.