Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
BESCHIKKING
[naam verzoeker],
€ 1830,- (183 x
€ 1.830,- (ÉÉNDUIZENDACHTHONDERDENDERTIG EURO).
Gerechtshof Den Haag
Verzoeker werd in mei 2009 in verzekering gesteld en zijn rijbewijs en auto werden in beslag genomen. Na vrijspraak in december 2010 en een latere vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad, sprak het hof hem in augustus 2015 vrij. Verzoeker vroeg vervolgens een vergoeding voor immateriële schade door de invordering van zijn rijbewijs en de inbeslagneming van zijn auto, alsmede voor kosten gerelateerd aan schorsing kenteken, wegenbelasting en verzekeringspremie.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 164, lid 9, Wegenverkeerswet 1994 een vergoeding voor de periode van invordering van het rijbewijs toekomt, vastgesteld op €10 per dag, wat resulteerde in een vergoeding van €1.830. Voor de overige schadeposten bood noch de Wegenverkeerswet 1994 noch het Wetboek van Strafvordering een rechtsgrond bij vrijspraak om vergoeding toe te kennen.
Het hof vond ook geen gronden om op basis van redelijke wetstoepassing of analogie een vergoeding toe te kennen voor de overige schade. Daarom werd het verzoek voor die schade afgewezen en werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard voor die onderdelen.
De beschikking werd gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Den Haag op 8 september 2016, waarbij de vergoeding voor de rijbewijsperiode werd toegekend en het overige verzoek werd afgewezen.
Uitkomst: Verzoeker krijgt een vergoeding van €1.830 voor de periode van invordering van het rijbewijs, overige schadevergoedingen worden afgewezen.