Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
5 november 2015 van de rechtbank Den Haag.
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele procedure in hoger beroep staat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, kinderalimentatie en partneralimentatie centraal. De man verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats en verlaging of nihilstelling van alimentatie, stellende dat zijn inkomen drastisch was gedaald. De vrouw verzocht om bekrachtiging van de eerdere beschikking.
Het hof nam kennis van de processtukken en hoorde de minderjarige in raadkamer. De man trok zijn verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats in, waardoor hij daarin niet-ontvankelijk werd verklaard. Ten aanzien van de alimentatie stelde het hof vast dat de man onvoldoende bewijs had geleverd van een substantiële inkomensdaling. Hij overhandigde slechts een arbeidsovereenkomst en een salarisspecificatie met een laag inkomen, maar gaf geen inzicht in zijn vermogenspositie of faillissementen van vennootschappen.
De rechtbank was uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 9.000,- per maand ten tijde van het huwelijk, wat het hof redelijk achtte gezien de levensstijl en het vermogen van partijen. De draagkracht van de man werd vastgesteld op € 2.328,- per maand. De partneralimentatie werd eveneens bekrachtigd op basis van een behoefte van circa € 9.081,- bruto per maand voor de vrouw, zonder toerekening van verdiencapaciteit.
De proceskosten werden gecompenseerd. Het hof wees het beroep van de man verder af en bekrachtigde de eerdere beschikking voor zover het kinderalimentatie en partneralimentatie betreft.
Uitkomst: Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging verblijfplaats en bekrachtigt de alimentatieverplichtingen zoals vastgesteld door de rechtbank.