Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het geding
2.De feiten
(...)“Voor zover er al sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst tussen u en MSFP (hof: [Y] ), hebben wij geconstateerd dat in verband met het aantonen van het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst u het document waarin de arbeidsovereenkomst zou zijn vastgelegd, hebt vervalst, dat u, zonder daartoe bevoegd te zijn, een bankrekening ten name van een aan MSFP gelieerde vennootschap hebt geopend en daarop een negatief saldo hebt laten ontstaan en dat u ten onrechte en zonder toestemming van de rechthebbenden de aan [Y] B.V. toebehorende domeinnaam op naam van een aan u toebehorende vennootschap hebt gesteld c.q. hebt laten stellen.
De verzoeken, over en weer, in het geding in eerste instantie en het oordeel van de kantonrechter
subsidiair
primair en subsidiair
4.Beoordeling van het hoger beroep
Het bezwaar dat [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd tegen de wijziging van het verzoek door [verzoeker] , verwerpt het hof. De wijziging moet immers worden gezien als een vermindering van het verzoek zoals dat bij beroepsschrift was geformuleerd. [verzoeker] verzocht (subsidiair) om toekenning van een billijke vergoeding. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] kenbaar gemaakt af te zien van zijn primaire verzoek (herstel van de arbeidsovereenkomst) en in plaats daarvan slechts nog een billijke vergoeding te verlangen. Daar inmiddels sprake is van een hoger beroep, moet dit worden begrepen als een verzoek om een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683, lid 3 BW.
Dat diverse betalingen, aangeduid als salarisbetalingen, zijn verricht staat eveneens vast. De enkele omstandigheid dat de loonbetalingen zijn verricht door een aan [verweerster] gelieerde vennootschap, namelijk door [verweerster] Products, doet niet af aan het karakter van de betalingen: ook een derde kan de schuld van de debiteur immers voldoen (artikel 6:30 lid 1 BW Pro). De drie (afschriften van de) betalingsopdrachten die zijn overgelegd maken duidelijk dat drie maal € 1.464,70 is voldaan met het opschrift “salaris maart”, “salaris april” respectievelijk “salaris mei”. Dat bedrag komt exact overeen met het netto salaris dat [verzoeker] maandelijks als salaris toekwam blijkens het overgelegde salarisstrookje van 28 mei 2015. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan het hof [verweerster] niet volgen in haar verweer dat niet duidelijk is of de betalingen betrekking hebben op betalingsverplichtingen van [verweerster] jegens [verzoeker] uit hoofde van de gestelde arbeidsrelatie. Dat die betalingen niet telkens op een vast dag in de maand hebben plaatsgevonden kan naar het oordeel van het hof niet afdoen aan het oordeel dat het hier evident om voldoening van salaris aan [verzoeker] gaat. Ter zake van de betalingen voor [verzoeker] zijn ook loonbelasting en sociale premies afgedragen, hetgeen er eveneens op duidt dat de betalingen daadwerkelijk waren bedoeld als salaris.
het vervalsen van de schriftelijke arbeidsovereenkomst
Het hof stelt vast dat [verweerster] niet bestrijdt dat [E] ook deze 12 januari 2015 gedateerde overeenkomst zelf heeft getekend. Verder heeft [verzoeker] een ogenschijnlijk steekhoudende reden aangevoerd voor wijziging van de eerder ondertekende arbeidsovereenkomst: de aanpassing zag op de opnamen van een bepaling over een bedrijfsauto). [verweerster] bestrijdt deze door [verzoeker] gegeven reden voor aanpassing op zichzelf niet. Onder deze omstandigheden kan [verweerster] niet worden gevolgd in haar stelling dat [verzoeker] de tweede arbeidsovereenkomst zou hebben vervalst. Zou zij nog steeds aan dit verweer vasthouden – in hoger beroep lijkt ze daarop terug te komen – dan is dat verweer onvoldoende onderbouwd.
zonder bevoegd te zijn openen van een bankrekening ten name van een aan [verweerster] gelieerde vennootschap en het daarop laten ontstaan van een negatief saldo
Overigens heeft [verzoeker] erkend dat hij wel betrokken is geweest bij het openen van de bankrekening door zijn dochter. Hij heeft geschetst dat het op dat moment noodzakelijk was, teneinde crediteuren te kunnen betalen en de continuïteit van de onderneming niet in gevaar te brengen. Dat die noodzaak bestond heeft [verweerster] niet (deugdelijk) weersproken.
heeft derhalve – gelet op het gemotiveerde verweer van [verzoeker] – onvoldoende onderbouwd, dat het door haar aan [verzoeker] maakte verwijt terecht is. Het hof kan dan ook niet van de juistheid van dit verwijt uitgaan.
zonder toestemming van de rechthebbenden laten overschrijven van de [Y] toebehorende domeinnaam op naam van een aan [verzoeker] toebehorende vennootschap
Bij gebreke van een nadere onderbouwing van het ten aanzien van de domeinnaam aan [verzoeker] gemaakte verwijt, oordeelt het hof dat van een deugdelijke basis voor dit verwijt niet is gebleken.
onbevoegdelijk namens [Y] aangaan van een leningsovereenkomst met Dexxon lnvestment B.V. en dreigen met een faillissement van [verweerster] Products
[verzoeker] heeft geschetst dat tot hem pas in april 2015 was doorgedrongen dat de aandelentransactie van 12 december 2014 met het beroep op de ontbindende voorwaarde, was teruggedraaid. Op dat moment functioneerde hij nog steeds (als bedrijfsleider) in de onderneming en moest hij vaststellen dat verschillende betalingen niet werden gedaan. In de verwachting dat het terugdraaien van de aandelentransactie wel weer ongedaan gemaakt zou kunnen worden heeft hij toen zelf, in privé en via zijn vennootschap Dexxon BV, totaal € 69.100,-- ter leen verstrekt. Zijn doel was de onderneming draaiende te houden, door aan lopende verplichtingen te voldoen, zo begrijpt het hof.
[verweerster] heeft niet weersproken dat de ter leen verstrekte middelen daadwerkelijk zijn overgemaakt aan de onderneming, en evenmin is bestreden dat die middelen zijn aangewend in overeenstemming met het doel waarvoor de middelen zijn verstrekt: de nakoming van betalingsverplichtingen door de onderneming.
Onder deze omstandigheden kan [verzoeker] niet worden verweten dat hij zonder toestemming van het bestuur van [verweerster] (Products), dat wil zeggen van [L] c.s., deze geldleningen is aangegaan, ook al zou [verzoeker] daartoe strikt genomen niet bevoegd zijn geweest. Dat [verzoeker] vervolgens de ter leen verstrekte gelden terug heeft gevraagd nadat gebleken was dat een oplossing voor het terugdraaien van de aandelentransactie per (17 althans) 26 februari 2015 niet bereikt werd, kan [verzoeker] niet worden verweten. Dat de geldleningen (of, als van vertegenwoordigingsonbevoegdheid moet worden uitgegaan: de vorderingen uit hoofde van onverschuldigde betaling) niet opeisbaar waren, heeft [verweerster] niet gesteld. Dat [verzoeker] is overgegaan tot het indienen van een verzoek tot faillietverklaring van [Y] is hem, gezien het nalaten van [verweerster] -vennootschappen het geleende terug te betalen, al evenmin kwalijk te nemen.
namens [Y] tekenen van orders waarmee illegale levensmiddelen, althans onveilige levensmiddelen in China zijn besteld
betwist die inkooporder getekend te hebben en wijst er daarbij op dat de inkooporder, blijkens het formulier, al op 31 oktober 2014 gegeven is. Op dat moment had hij, zo stelt [verzoeker] , geen bemoeienis met [verweerster] en de haar gelieerde vennootschappen. Bovendien merkt [verzoeker] nog op hij zich bij [verweerster] niet bezig heeft gehouden met inkoop, terwijl uit niets blijkt dat de ‘product recall’ betrekking heeft op de bestelling in kwestie.
Tegenover dit verweer heeft [verweerster] , in hoger beroep, nog eens haar standpunt herhaald, zonder te reageren op het verweer van [verzoeker] . Nu [verweerster] in reactie hierop niet heeft uiteengezet hoe [verzoeker] betrokken kan zijn geweest bij een bestelling in naam van [verweerster] Products die kennelijk al in oktober 2014 (dus voor de koop/verkoop van de aandelen op 12 december 2014) heeft plaatsgevonden, moet de conclusie luiden dat [verweerster] ook dit verwijt onvoldoende heeft onderbouwd
Weliswaar heeft [verweerster] een bewijsaanbod gedaan op dit punt, maar bij gebreke van een steekhoudend argument tegen het verweer van [verzoeker] en een – tegen de achtergrond van het verweer van [verzoeker] – deugdelijke aanduiding van de door haar te bewijzen feiten, zal het hof dit bewijsaanbod passeren.
De wettelijke verhoging – die het hof zal beperken tot 20% - en de wettelijke rente zijn evenzeer toewijsbaar.
[verzoeker] is in dienst getreden van [verweerster] nadat, (mede) door zijn tussenkomst, de aandelen [X] door koop/verkoop in handen waren gekomen van [Z] . [verzoeker] is dan wel zelf in december 2014 geen (indirect) aandeelhouder of (indirect) bestuurder geworden van [verweerster] , maar hij is evident wel betrokken bij de aandeelhouder. [verzoeker] is werknemer van [verweerster] gebleven nadat door de verkopers van de aandelen een beroep was gedaan op een ontbindende voorwaarde, waardoor de aandelen weer bij hen terugkeerden. Of dat beroep op de voorwaarde terecht was of niet en of het voor de hand lag dat het beroep op de ontbindende voorwaarde alsnog terug zou worden gedraaid, is in dit geding niet aan de orde. Duidelijk is wel dat het zeer voor de hand zou liggen de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te beëindigen als door het beroep op de ontbindende voorwaarde de aandelenverkoop aan [Z] definitief teruggedraaid wordt.
Het hof is van oordeel dat de billijke vergoeding het gemis aan loondoorbetaling gedurende de normaliter door [verweerster] te doorlopen ontbindingsprocedure tot aan de beëindigingsdatum behoort te behoort te compenseren. Uitgaande van de start van een ontbindingsprocedure op 4 september 2015 en een gebruikelijk verloop van die procedure, zou de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van een maand, naar alle waarschijnlijkheid met ingang van 1 december 2015 beëindigd zijn. Het hof komt dan uit op een compensatie van (afgerond) € 8.000,-- bruto. Voor een verdere compensatie ziet het hof, gezien de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst is ontstaan tegen de achtergrond van de aandelentransactie, geen aanleiding. Daarbij tekent het hof aan dat het geen rekening houdt met de aanspraak op tantième dat [verzoeker] in zijn arbeidsovereenkomst is toegekend. De voorwaarden waaraan [verzoeker] zou moeten voldoen om voor enige uitkering in aanmerking te komen zijn in het geheel niet uitgewerkt. [verweerster] geeft onweersproken gesteld dat winst in de onderneming niet gerealiseerd wordt en een aanspraak op enig aandeel in de winst daarom niet reëel is. Bovendien moet worden vastgesteld dat [verzoeker] slechts korte tijd feitelijk werkzaam is geweest in de onderneming en hij – gelet op de duur van het dienstverband – geen recht heeft een transitievergoeding.
5.Beslissing
- vernietigt de beschikking van de kantonrechter van 18 december 2015;
- veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van zijn salaris van € 2.500,-- bruto per maand, dit bedrag verhoogd met 8% vakantietoeslag, over de periode van 1 juni 2015 tot en met 4 september 2015, alsmede de wettelijke verhoging over het totaal verschuldigde, beperkt tot 20%, en voorts van de wettelijke rente over genoemde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan datum van voldoening;
- veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding ter hoogte van € 8.000,-- bruto;
- veroordeelt [verweerster] in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , ten aanzien van de eerste instantie begroot op € 78,-- wegens griffierecht en op € 600,-- wegens salaris gemachtigde, en in het hoger beroep begroot op € 314,--wegens griffierecht en op € 904,-- (2 punten tarief II á € 452,-- per punt) wegens salaris advocaat;
- wijst af het meer of ander verzochte.