De zaak betreft een verzoek tot schadevergoeding door een verdachte die onterecht in voorarrest heeft gezeten. Het gerechtshof Den Haag vernietigde eerder het vonnis en sprak de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten. Het verzoek tot vergoeding van de geleden schade door het voorarrest werd vervolgens ingediend.
Het hof heeft vastgesteld dat ondanks de vrijspraak er sterke aanwijzingen waren dat de verdachte betrokken was bij andere strafbare feiten die niet ten laste waren gelegd. Dit leidde tot het oordeel dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van schadevergoeding.
De mogelijke minderjarigheid van de verdachte ten tijde van de feiten, hoewel niet vastgesteld, werd niet als reden gezien om anders te beslissen. Het verzoek tot schadevergoeding werd daarom afgewezen.
De beschikking werd op 10 augustus 2016 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Den Haag.